Dinsdagochtend werd Jose Maria Sison opgepakt. En alhoewel dit al mijn revolutionaire krediet wel teniet zal doen, ben ik deze keer voor de verandering eens blij dat een politiek activist is opgepakt. Met zijn arrestatie is er een kans dat er enige gerechtigheid komt voor de nabestaanden van verschillende slachtoffers van moordaanslagen en dat iemand die al jaren lang een zeer kwalijk rol speelt in Filippijns links eindelijk definitief ontmaskert wordt. Sison zijn levensverhaal leest als een avonturenroman maar allengs word onduidelijk of hij nu de held of de schurk van het verhaal is.
Jose Maria Sison, ook bekend onder de bijnaam Joma, is de oprichter van de maoïstische Communist Party of the Philippines, de CPP. In de Filippijnen is Engels een van de twee officiële talen en deze wordt vooral voor officiële doeleinden gebruikt Joma – 1939 – begon zijn politieke loopbaan als activist van de originele communistische partij van de Filipijnen, de Partido Komunista ng Pilipinas (PKP), een organisatie die later overvleugeld zou worden door Joma’s splitsing. Joma is afkomstig uit een familie van rijke grootgrondbezitters uit het noorden van de Filippijnen. Hij groeide op met de werken van nationalistische Filippijnse historici die de herinneringen aan verzet van de bevolking van de Filippijnse eilanden tegen de Spaanse en Amerikaanse kolonisators her-interpreteerden als een anti-imperialistische, nationale bevrijdingsstrijd. Nog steeds ziet het grootste deel van Filippijns radicaal-links, niet alleen de CPP, het als haar taak om de onafhankelijkheidsoorlog van 1896 te voltooien door de Filippijnse natie te bevrijden van buitenlandse onderdrukking.
Op twintigjarige leeftijd studeerde Joma af in literatuurwetenschap en kreeg hij een baan als onderwijzer aan de prestigieuze University of the Philippines. In 1964 richtte hij de Kabataang Makabayan , Patriottische Jeugd, op, een organisatie die een belangrijke rol zou spelen in de geschiedenis van de revolutionair links. Tegen deze tijd was Sison opgeklommen tot het uitvoerend comité van de PKP met als verantwoordelijkheid jeugdwerk. De PKP had een belangrijke rol gespeelde in het organiseren van het guerrilla-verzet tegen de Japanse bezetting tijdens de Tweede Wereldoorlog en had in de jaren vijftig een gefaalde poging gedaan om de macht over te nemen. Na het neerslaan van deze zogenaamde Huk rebellie, genoemd naar de gewapende tak van de PKP, de Hukbong Mapagpalaya ng Bayan of Volksbevrijdingsleger, hadden de oude leiders voor een meer gematigde koers gekozen. De jaren zestig waren ook voor de Filippijnen een periode van radicalisering en protest, niet in de laatste plaats onder studenten die geïnspireerd werden door Mao’s China waar op dat moment de Culturele Revolutie op haar hoogtepunt was. De KM speelde een belangrijke rol in protesten tegen de Filippijnse betrokkenheid bij de oorlog in Vietnam, het gebrek aan democratie, de Amerikaanse overheersing van het land en de groeiende macht van Ferdinand Marcos. Sison was een van de jonge intellectuelen die onder de invloed kwamen van Mao’s opvattingen over gewapende strijd en de noodzaak van anti-imperialistische revoluties in Derde Wereld-landen. De PKP echter voelde daar niks voor; zij zagen Marcos als ‘neutraal’ ten opzichte van de VS en dachten zelfs dat deze het land een koers van ontwikkeling op kon sturen. Een houding die hen in de jaren zeventig er toe bracht om zich te verzoenen met het bewind van Marcos die tegen tijd alle tijd alle democratische pretenties had afgezworen en regeerde als een dictator.
Ontevreden over de lakse opstelling van de PKP, de corruptie van haar leiders – in de eerste plaats van Jesus Lava die sinds de arrestatie van zijn broer Jose Lava in 1950 de scepter zwaaide over de partij – richtte Joma op 2 december 1968 de CPP op. Joma – werkeloos en niet in staat een nieuwe baan te vinden omdat hij wegens zijn politieke opvattingen op een zwarte lijst stond – nam de grote sprong en ging ondergronds. Tot zijn arrestatie in in 1977 was Jose Maria Sison ‘Amado Guerrero’ – Geliefde Strijder – en staatsvijand nummer een.
Waar de PKP zich oriënteerde op Moskou volgde de CPP expliciet de maoïstische lijn. Dit hield onder andere in dat een burgerlijke democratie in een Derde Wereld land als de Filippijnen alleen verwezenlijkt zou kunnen door een gewapende revolutie van boeren en arbeiders in samenwerking met de nationalistische delen van de bourgeoisie. Als een eerste stap hiertoe sloot de jonge partij in 1969 een verbond met een klein groepje Huks dat nog steeds doorvocht. Dit was de geboorte van het New People’s Army – NPA – een organisatie die op haar hoogtepunt meer dan 25.000 strijders onder de wapenen zou hebben en nu dus onder andere verantwoordelijk word gehouden voor de moorden op twee voormalige politieke rivalen van Joma, Rolly Kintanar en Arturo Tabara, beide voormalige bevelhebbers in de NPA.
Bij haar oprichting leek de CPP de wind mee te hebben. De laten jaren zestig en vroege jaren zeventig waren een periode van felle protesten – voornamelijk geleid door studenten – tegen de corruptie en machtsmisbruik van Marcos en de Amerikaanse overheersing van het land. Makibaka! Huwag matakot! – Strijd! Wees niet bang! – raakte ingeburgerd als slogan. De politie joeg met grof geweld demonstraties uiteen en doodde verschillende studenten. De demonstranten antwoordden met molotovcocktails en pillboxes, zelfgemaakte bommen. Dertig januari 1970 bestormden demonstranten het presidentiele Malacañang paleis; met een buitgemaakte brandweerwagen werd een poort open geramd en paleis werd bekogeld met geïmproviseerde explosieven, stenen, molotovcocktails. Later zou ook de Amerikaanse ambassade het moeten ontgelden. Naarmate de confrontaties tussen demonstranten en politie gewelddadiger werden, radicaliseerde de oppositie. De eerste protesten waren nog min of meer geïnspireerd op de Amerikaanse burgerrechtenbeweging en een van de voornaamste eisen was dat de aangekondigde herziening van de grondwet netjes en democratischn zou verlopen. In 1970 scandeerden demonstranten Mabuhay si Dante – Lang leve Dante, de bevelhebber van de NPA en waren oproepen tot gewapende strijd en revolutie normaal geworden. Over luidsprekers klonk het; Handa na ba kayong huwamak ng Armalite? Handa na ba kayong mamundok? – Zijn jullie klaar om een Armalite machinegeweer vast te houden? Zijn jullie klaar om de heuvels in te trekken? Deze periode staat in de Filippijnse geschiedenis bekend als de ‘First Quarter Storm’.
Een van de meest beruchte datums in Filippijnse geschiedenis is 1 augustus 1971. Die dag werd er een bomaanslag gepleegd op een bijeenkomst van de burgerlijke oppositie tegen Marcos op het Plaza Miranda. Acht mensen kwamen om, meer dan honderd raakten gewond, waaronder verschillende prominente leden van de Liberale Partij, de partij van de leider van de burgerlijke oppositie Benigno Aquino. Marcos gaf de communisten de schuld van de aanslag en gebruikte het incident als een van de redenen om op 1 september 1972 de noodtoestand af te kondigen waardoor hij als een dictator kon regeren. Sison en de CPP hebben Marcos altijd aangewezen als de schuldige. Maar het zijn niet alleen Marcos-supporters die Sison aanwijzen als het brein achter de Plaza Miranda aanslag; volgens een theorie zou het een bewuste provocatie zijn geweest om Marcos de uitzonderingstoestand uit te laten roepen en op die manier de politieke verhoudingen in het land verder te laten verscherpen. In een biografie van Edgar Jopson, een door de politie gedode leider van CPP, komt zijn weduwe aan het woord die verteld dat Jopson jaren later min of meer per ongeluk geleerd de ware toedracht van de aanslag geleerd zou hebben. Deze vrouw, Joy Jopson Kintanar, zou later hertrouwen met Rolly Kintanar. Onder andere op basis van haar verklaringen is Sison nu opgepakt.
