januari 2008


Bensaïd laat zijn licht schijnen over de dialectiek en bezorgt en passant hoofdpijn….

4. Zou je je mening over de plaats van dialecktiek in de marxistische theorie kunnen uiteenzetten ?

De vraag is te veelomvattend en er is al te veel inkt vergoten met betrekking tot deze kwestie om een bondig antwoord te kunnen geven. Ik zal me daarom beperken tot enkele algemene opmerkingen.

Gedurende de negentiende eeuw worstelden de Duitsers, Italianen en meer nog de Russen voor hun nationale en sociale bevrijding en hadden hierbij de dialectische kritiek nodig. De Franse conservatieve ideologie deed na juni 1848 en de Commune van Parijs alles om een dergelijke emancipatie te blokkeren. De ‘ondergrondse stroming van het materialisme van de samenkomst’, zoals de Althusser het mooi noemde in één van zijn laatste geschriften, had in Frankrijk al zijn werk gedaan voor de verspreiding van de denkbeelden van Marx. Het ‘spoorloze marxisme’ van Guesde of Lafargue was getekend door positivisme. Het was voor hen moeilijk om over te gaan van een logica van louter classificeren naar een dynamische, dialectische logica zoals Marx die op briljante wijze liet zien in Het Kapitaal.
In zijn meer rigide vormen verergerde het structuralisme dat zo modieus was in de jaren zestig dit gebrek; het creëerde een impressie van structuren als versteend, zonder gebeurtenissen of rol voor subjecten. Systemen werden ontdaan van hun geschiedenis en het werd moelijk de werkelijke geschiedenis van de afgelopen eeuw te overdenken.

De marxistische orthodoxie, in de jaren dertig vanwege machtspolitieke redenen gepropageerd door de zegevierende stalinistische bureaucratie, had van dit gebrek aan dialectiek geprofiteerd. Er werd een dogmatische filosofische kanon opgesteld; ‘diamat’. Het was een tweede sterfbed voor de dialectiek, een soort Thermidor in de theorie die zich duidelijk liet zien in de veroordeling van de psychoanalyse en het Surrealisme op het sinistere congres van Kharkov en in de onvergetelijke brochure Historisch materialisme en dialectisch materialisme waarin Stalin de doctrine vastlegde. De ‘dialectiek’ was vanaf dat moment niet meer dan een formele meta-logica, alleen goed als een werktuig van de staat en in het bijzonder om mensen te breken. De dialectiek van een kritisch bewustzijn – zoals bij Lukacs of Korsch – moest wijken voor het staatsbelang.

Deze theoretische reactie ging gepaard met een ander proces, vooral in Frankrijk. Onder het voorwendsel van de verdediging van het rationalisme en de Verlichtingsdenkers tegen allerlei obscurantistische ideeën – een project dat tot op zekere hoogte en in een bepaalde vorm legitiem is – completeerde een soort ‘filosofisch volksfront’ het politieke volksfront. Een soort ‘anti-fascistische’ alliantie onder burgerlijke hegemonie dus. Deze on-dialectische verdediging van de Rede was een postume overwinning voor de methode van Descartes op de dialectiek van Pascal. Zelfs Lukacs, die tot 1926 weerstand bood aan het tribunaal van zijn filosofische vijanden en in zijn onlangs her-ontdekte boek A defence of history and class-consciousness de rol van spontaniteit en het bewustzijn verdedigde, gaf uiteindelijk toe. Hij schreef De vernietiging van de rede, niet zijn beste boek. Het verscheen pas na de oorlog. De overwinning van de bureaucratische contra-revolutie poneerde in feite een binaire logica ; wie niet met ons is, is tegen ons…. De mogelijkheid van een tweede tegenstelling, zelfs op secondair niveau, werd uitgesloten. Deze logica van intimidatie en verdachtmakerij heeft behoorlijke politieke schade gedaan, bijvoorbeeld tijdens de Sovjet invasies van Hongarije, Tsjecho-Slowakije, Polen en Afghanistan.

rodin-thinker-red.jpg

Misschien zijn we getuige van een renaissance van dialectisch denken. Dat zou mooi zijn, een teken dat de wind gedraaid is, dat de negatieve zijde van de dialectiek nieuw leven heeft gekregen. Een nieuw leven van ontkenning tegen de stroom van de reclame-industrie in, die ons tegen elke prijs van het ‘positieve’ wil overtuigen. Tegen de stroom van  retoriek over consensus en algemene verzoening. De tijdsgeest heeft een dringende behoefte aan kritisch, dialectisch denken. Er zijn goede redenen voor een dergelijke heropleving.

Ten eerste een historische reden. Na de tragedies van de afgelopen eeuw kunnen we ons niet langer in slaap laten wiegen door de notie van een onvermijdelijke, uni-lineaire vooruitgang. We moeten de vreeswekkende dialectiek tussen vooruitgang en catastrofe, zoals Walter Benjamin die beschreven heeft, niet negeren. Dat kunnen we al helemaal niet meer in het tijdperk van onzekere veranderingen waarin de wereld zich nu zo’n twintig jaar bevindt. Er is een noodzaak aan een dialectische ecologie zich op twee fronten afzet: tegen de commerciële globalisering maar ook tegen de dodelijke verleidingen van ‘deep ecology’.

De vernieuwing van de categorieën van een dialectische logica in het licht van wetenschappelijke controverses over chaostheorie, systeemtheorie, holistische of complexe causaliteit en zo verder heeft een nieuwe dialoog tussen verschillende onderzoeksvelden op de dagorde geplaatst – op voorwaarde dat we slechts voorzichtig van het ene domein naar het andere overstappen. Dit is een test voor een vernieuwde dialectische logica.

Er is dringende nood aan een totaliserende interpretatie van globalisering, een open totalisering, om de nieuwe gezichten van laat-imperialisme te begrijpen en politiek in te grijpen in een ontwikkeling die meer ongelijk is en slechter gecombineerd dan ooit in de geschiedenis.

Er is een dringende nood om de eeuw te bezien vanuit het standpunt van een verbroken tijd/ruimte, van het conceptualiseren van een specifieke politieke temporaliteit van ongelijktijdigheden en achteruitgang in plaats van het luie, chronologische denken dat slechts termen als post- en pre hanteert: post-kapitalisme, post-communisme… Een dringende noodzaak om de effectieve vooruitgang van ontwikkeling, of – in de terminologie van Trotsky, het overgroeien – te meten in plaats van de ‘groei zonder ontwikkeling’. Lefebvre heeft deze laatste denkwijze sterk bekritiseerd.

Ten slotte, het einde van de Koude Oorlog en de complexe interactie tussen verschillende conflicten verplicht tot het afscheid nemen van de binaire logica van ‘kampen’, elk met een eigen vaderland – zelfs als dit het land van het reële niet-bestaande socialisme was. In plaats daarvan moet een een derde standpunt geïntroduceerd om zich strategisch te kunnen plaatsen in conflicten zoals de oorlogen in de Balkan of de Golf.

Tegen deze achtergrond laat dialectisch denken zijn waarde zien, is het noodzakelijk om te voorzien – en zich te verheugen op – wat de toekomst brengt, na het Zwartboek Communisme en het Zwartboek van de pyschoanalyse een ‘Zwartboek dialectiek’. Dat zou betekenen dat de antagonistische tegenstelling niet geneutraliseerd is, niet is opgegaan in ‘co-relatie in plaats van contradictie’. Dat zou ook het falen aantonen van de fetisj van het fait accompli, het verruilen van het doel van het mogelijke voor dat van meer winst in een verarmde wereld. En dat de ‘negatieve filosofie’, het werk van de negatie, het oogpunt van de totaliteit, de ‘sprongen’ gevierd door Lenin in zijn aantekeningen bij Hegel’s Logica, definitief niet zijn getemd.

Want door de lens van de dialectiek is de Revolutie te ontwaren. De Luckacs van Geschiedenis en klassebewustzijn en Lenin. Een studie in zijn denken had dit goed begrepen. Dat was natuurlijk wel in het midden van de storm, tijdens crisisjaren die logischerwijs ook jaren van een intense dialectiek waren.

Het tweede deel van een ruwe vertaling van een interview met Daniel Bensaïd. Hij is niet echt kort van stof…
29-01: een nieuwe vraag en antwoord toegevoegd

Wat zijn de belangrijkste theoretische problemen waar marxisten van nu mee worden geconfronteerd?

Ik spreek over problemen om aan te werken want de oplossing is niet puur theoretisch maar praktisch. Oplossingen als die bestaan zullen gevonden worden in de verbeelding en de ervaring van miljoenen mensen. We staan voor vragen die we opnieuw tegen het licht moeten houden na een eeuw van ervaringen die noch Marx, Engels, Lenin of een van de andere ‘founding fathers’ zich had kunnen voorstellen. Om te beginnen is er de ecologische kwestie. Al bij Marx vinden we een kritiek op een abstractie notie van eenvormige vooruitgang, in de eerste pagina’s van de Grundrisse. En we vinden bij hem ook, in het gedeelte over landbouw in Het Kapitaal, al het idee dat in het kader van kapitalistische verhoudingen, alle vooruitgang schadelijke en regressieve kanten heeft

Maar noch hij, noch Engels, Lenin of Trotsky hadden een duidelijke, centrale plaats in hun denken voor termen als drempel en limieten van vooruitgang. Hun logica in hun polemieken tegen de reactionaire Malthusianen deed hen gokken op de overdadigheid van natuurlijke hulpbronnen om alle problemen op te lossen. Tegenwoordig heeft de ontwikkeling van wetenschappelijke kennis ons een beter begrip gegeven van de risico’s die er bestaan omdat sommige ontwikkelingen onherstelbaar zijn en welke verschillen er in gradaties bestaan. Tegenwoordig kan niemand met zekerheid zeggen of de schade die er is toegebracht aan het eco-systeem, de biodiversiteit en het klimaat ooit nog gerepareerd kunnen worden. Men moet dus een zekere ‘Promethische’ trots bijstellen en in gedachten houden dat, zoals Marx onderstreepte in de Parijse Manuscripten van 1844, dat als de mens een ‘menselijk natuur wezen’ is, mensen in de eerste plaats natuurlijke wezens zijn, afhankelijk van een eigen plek in het ecologische systeem. De marxistische kritiek kan baat hebben bij werk in andere onderzoeksvelden, zoals dat van Georgescu-Rötgen, en de laatste jaren zien we de opkomst van een belangrijke ’sociale ecologie’, die geïnspireerd is door marxisme. Voorbeelden zijn John Bellamy Foster in de Verenigde Staten, Jean-Marie Harribey en Michel Husson in Frankrijk en vele andere.

Verder is het belangrijk om de strategische gevolgen van de verschillen in temporeel en spatiaal opzicht in de politiek. Er bestaan een rijke literatuur over de kwestie van tijd en ritme, vooral met betrekking tot economische ritmes – cycles, rotatie van kapitaal, het meten van sociaal noodzakelijke tijdsduur et cetera – en de conflicten in tussen sociale tijdvakken – wat Marx al de achterloop noemde en Bloch de ‘ongelijktijdigheid’. Bijvoorbeeld de tegenstrijdigheden tussen politieke en juridische tijdperken, esthetische tijdvakken en tegenwoordig zou men daar ook langdurige ecologische tijdperken aan toe moeten voegen. Maar ondanks het pionierswerk van Henri Lefebvre is er veel minder theoretische arbeid verricht over de kwestie van de sociale productie van sociale ruimte. Maar globalisering produceert tegenwoordig een reorganisatie van spatiale niveaus, een nieuwe distributie van machtsverhoudingen, nieuwe modellen van gecombineerde en ongelijke ontwikkeling. David Harvey heeft laten zien dat er bij Marx interessante aanzetten naar onderzoek in deze richting te vinden zijn. Hij heeft het belang van hedendaagse vormen van imperialistische overheersing aangetoond en hoe belangrijke deze zijn zijn bij het instandhouden en aanwending van de ongelijke ontwikkeling en de ongelijke winsten uit de accumulatie van kapitaal. Dit is in tegenstelling tot noties van ‘gladde ruimte’ en een homogeen Empire zoals we die aantreffen bij Negri.

Een derde belangrijke thema is de metamorfose van arbeid, ook bezien van uit het oogpunt van de machtstechnieken gebruikt voor controle en de veranderende verhouding tussen intellectuele en lichamelijke arbeid. De twintigste eeuw heeft duidelijk laten zien dat het niet genoeg is om de eigendomsvormen te veranderen om een einde te maken aan de vervreemding van arbeid. Volgens sommigen ligt de oplossing in ‘the end of work’ of de exodus – of vlucht? – uit het domein van schaarste. Bij Marx treffen een dubbele opvatting van werk aan; een antropologische, in de ruime zin van het woord, opvatting van de rol van arbeid in de verhouding tussen mens en natuur – het ‘metabolisme’ van mens en natuur. En er is een specifieke of beperkte opvatting van arbeid als ingeperkte arbeid, in de eerste plaats in de vorm van loonarbeid in een kapitalistische samenleving. Met betrekking tot arbeid in deze categorie is het doel om arbeid te bevrijden en zichzelf van arbeid te bevrijden, om het inkomen te socialiseren in plaats van uit te keren middels persoonlijke salarissen. Maar het is onmogelijk om ‘werk’ – hoe je het ook noemt – in de algemene betekenis van de activiteit van toe-eigening en transformatie van de natuurlijke omgeving af te schaffen. We moeten daarom denken over manieren waarop deze activiteit creatief zou kunnen worden want we kunnen ten sterkste betwijfelen dat er een bevrijd en ontplooit leven kan zijn zolang werk zelf vervreemd blijft.

Een vierde belangrijke kwestie is die van verschillende strategieën om de wereld te veranderen. In feite verloor na een korte periode van euforie direct na de val van de muur en de implosie van de Sovjet-Unie de grandioze liberale belofte van vrijheid snel zijn geloofwaardigheid. De sociale en ecologische gevolgen van de ‘pure’ concurrentie kunnen wel elke dag om ons heen zien. Oorlog en de beperkte uitzonderingstoestand zijn slechts de logische gevolgen van deze historische crisis. De geboorte van de andersglobaliseringsbeweging presenteerde een faillietverklaring; de wereld is niet te koop, de wereld is geen koopwaar. Minder dan vijftien jaar na de zogenaamde definitieve overwinning van kapitalisme – het beroemde ‘einde van de geschiedenis’ van Francis Fukuyama – is het idee dat het reëel bestaande kapitalisme inhumaan en onacceptabel is wijd verspreid. Van de andere kant bestaan er grote twijfels of het mogelijk is de wereld te veranderen zonder de mislukkingen en misvormingen van socialisme zoals we uit de vorige eeuw kennen te herhalen. Het is dus nodig om, zonder de centrale rol van de klassenstrijd in de verschillende tegenstellingen in het systeem te ontkennen – het belang van de veelvoud aan tegenstellingen, bewegingen en verschillende actors in aanmerking te nemen, na te denken over allianties en zonder de twee te vermengen te bekijken hoe het sociale en het politieke veld elkaar aanvullen. De debatten over hegemonie en het verenigd front uit de Tweede Internationale en de gevangenis-schriften van Gramsci, het versterken van het verband tussen politiek en sociaal burgerschap, dit alles is van belang. Het is een enorm programma en we kunnen er alleen voortgang mee boeken als we nieuwe ervaringen opdoen in de strijd en in organisatievormen.

Natuurlijk, maar dit is al impliciet in het vorige punt, is het noodzakelijk om de reikwijdte van het bureaucratische verschijnsel in moderne samenlevingen en de diepe worteling die het heeft in de sociale arbeidsdeling te onderzoeken. Een oppervlakkige opvatting hiervan verkondigt dat de bureaucratie slechts het resultaat is van cultureel achterhaalde samenlevingen of van bepaalde politieke organisatievormen – zoals ‘de politieke partij’. In werkelijkheid ontwikkelen samenlevingen meer en meer bureaucratische instellingen naarmate ze zich ontwikkelen; staatsbureaucratie, administrative bureaucratie, kennis en expertise bureaucratie. Sociale bewegingen – vakbonden, NGO’s – zijn niet minder bureaucratisch dan partijen. Sterker nog, partijen – of we die nu partij, beweging, federatie of iets anders noemen doet er weinig toe – kunnen een middel van collectief verzet tegen de corrumperende werking van geld en inkapseling door de media zijn. Want ook de media-bureaucratie is een nieuwe vorm van bureaucratie. Het is van doorslaggevend belang om manieren te vinden om macht en politiek te de-professionaliseren, om de cumulatie van verkiezingsmandaten te beperken, om morele en materiële privileges af te schaffen en een systeem van rotatie van verantwoordelijkheden in te stellen. Er bestaat geen uniek tegengif, het is een kwestie van waakzaamheid en het inperken van bureaucratische neigingen. Werkelijke lang-termijn oplossingen rusten in de radicale transformatie van de arbeidsdeling en een drastische inperking van de duur van verplicht werk.

Er zijn belangrijke hulpmiddelen aanwezig bij Marx en in de marxistische traditie om aan deze kwesties te werken maar ze zijn vaak vergeten of slecht bekend. Maar zijn ook belangrijke hulpmiddelen te vinden in andere actuele denktradities; economie, sociologie, kritische ecologie, literatuurstudie, post-koloniale studies, psychoanalyse. We moeten de dialoog aan gaan met Freud, Foucault, Bourdieu en vele andere.


Wat zijn volgens jouw de belangrijkste marxistische denkers van de laatste decennia en wat is het belang van hun bijdragen aan de ontwikkeling van het marxisme?

Het is zinloos om een ere-lijst of hit-parade van marxistische denkers op te stellen. Als gevolg van de socialisering van arbeid en de algemene stijging van het culturele niveau zijn er niet langer ‘meester denkers’ of ‘grote intellectuelen’ á la Sartre of Lukacs. En dat is maar goed ook, het is een teken van de democratisering van het intellectuele leven en het theoretische debat. Tegenwoordig is het dus moeilijk om namen te noemen van belangrijke personen. Wat wel bestaat is een hele laag van marxistisch en marxistisch geïnspireerd werk en onderzoek in allerlei verschillende domeinen, disciplines. Van linguïstisch onderzoek tot economie, via psychologie, geschiedenis, geografie… Om daar een lijst van namen van te maken zouden we er tientallen moeten noemen en hun onderzoeksveld moeten specificeren. Het ideaal van een ‘totale intellectueel’ is waarschijnlijk een illusie geworden maar in plaats hiervan is de ‘collectieve intellectueel’ opgekomen.

Er is een andere reden waarom het moeilijk is om een precies antwoord te geven op je vraag. Die reden wordt duidelijk als we een paar grote namen noemen van de socialistische en Communistische beweging: Marx, Engels, Kautsky, Pannekoek, Jaurès, Rosa Luxemburg, Lenin, Trotsky, Bukharin, Gramsci…. Dit waren allemaal ‘organische intellectuelen’ van de sociale beweging, activisten die theorie met praktijk verenigden. Maar de stalinistische reactie en de nederlagen van de arbeidersbeweging leidden tot een behoorlijke scheiding tussen theorie en praktijk. Dit was de centrale kwestie in het boekje van Perry Anderson, Over het westerse marxisme, dat in de jaren zeventig verscheen. Om een zekere vrijheid van denken en theoretische activiteit te behouden namen veel intellectuelen – enkele eerbare uitzonderingen daargelaten – afstand van dagelijks politieke kwesties. Kozen zij er toch voor om zich politiek te engageren, dan moesten zij vaak hun geweten opzij zetten en hun theoretische werk opofferen. De geschiedenis van de Franse intellectuelen en hun banden met de Communistische beweging is de geschiedenis van deze tragedie, van Paul Nizan, Henri Lefebvre, de surrealisten, Pierre Naville, Aragon, verschillende ‘fellow travellers’. Om theoretisch werk te kunnen bevrijden van partij orthodoxie en politieke bevoogding creëerde Althusser in de jaren zestig een hele scheiding tussen theorie en praktijk.
We mogen vandaag de hoop koesteren dat we deze periode achter ons gelaten hebben. De andersglobaliseringsbeweging is een voorbeeld van een nieuw samenkomen van heroplevende sociale bewegingen en levendig theoretisch onderzoek. Dit is zonder twijfel een gelegenheid die niet gemist moet worden.

De voormalige dictator van Indonesië is eindelijk dood. Verhagen noemt hem een ‘zeer belangrijk politiek figuur’. Dat is een mooi staaltje van niks-zeggen-terwijl-er-toch-woorden-uit-je-mond-komen. En er was sprake onder zijn bewind van ‘relatieve stabiliteit in het land’. Ach ja, het is maar wat je referentiekader is… De aanvankelijke moordpartij op meer dan half miljoen mensen en totaal dat over de miljoen ligt, een verbod op oppositiepartijen, martelingen, onderdrukking, het bezetten van Oost-Timor…ik vraag me af wat Verhagen zich voorstelt bij ‘relatieve onrust’, een kernoorlog? Dat de Indonesiërs tegenwoordig hun president kunnen kiezen vind Verhagen bewijs dat het land nu democratisch is. Dat socialistische partijen er nog steeds verboden zijn vindt hij blijkbaar niet relevant.


They (the CIA) gave the government a list of citizens who were communists and this list was used by the government after the coup to start a massacre. A massacre which took the lives of between half a million and a million people.

29-01: Op de site van de Internationale Socialisten staat een goed stuk over de dode dictator.

De Franse marxistische filosoof Daniel Bensaïd werd enige tijd geleden geïnterviewd door de Russische revolutionair socialistiche groep Vpered – dat betekent Voorwaarts. Ik ben nu bezig met het vertalen van het interview; het is een lange maar interessante tekst. Hier is alvast een voorlopige versie van het eerste deel. Het volledige interview (in het Frans) is hier te vinden.

vpered4.jpg

Vpered: Welke elementen van de marxistische erfenis zijn in jouw ogen definitief verouderd en welke zijn vandaag nog actueel?

Bensaïd: Om te beginnen zou ik graag het idee zelf van een erfenis willen nuanceren. Er is niet één enkele erfenis, er zijn verschillende marxistische erfenissen. Een ‘orthodox’ marxisme, van een staat of partij maar ook heterodoxe marxismes. Een positivistisch marxisme met wetenschappelijke pretenties en een kritisch, dialectische marxisme of wat de filosoof Ernst Bloch de ‘warme’ en de ‘koude’ stromen van het marxisme noemde. Het gaat hier niet om slechts verschillen in lezing of interpretatie maar om verschillende theoretische vertogen die tot afwijkende, soms zelfs conflictueuze, politieke perspectieven leidden. Zoals Jacques Derrida vaak zei, een erfenis is niet iets wat simpelweg doorgegeven wordt en bewaard, het gaat erom wat er doorgegeven wordt en hoe dit de erfgenamen beïnvloedt.

Goed, dus wat is er verouderd in de theorie van Marx?

Als eerste zou ik een zeker sociologisch optimisme noemen: het idee dat de ontwikkeling van het kapitalisme op een mechanische wijze automatisch zou leiden tot een steeds maar groeiende en steeds meer geconcentreerde arbeidersklasse, een klasse die voortdurend beter georganiseerd zou worden en steeds bewuster zou worden. Een hele eeuw aan ervaringen heeft het belang van verschillen en verdeeldheid in het proletariaat aangetoond. De eenheid van de uitgebuite klassen is niet iets dat van nature gegeven is maar kan slechts het product zijn van strijd, het is een constructie.

Verder denk ik dat men noties als de dictatuur van het proletariaat en het afsterven van de staat opnieuw moet overdenken. Dit is een ingewikkelde kwestie, want de woorden hebben tegenwoordig niet meer dezelfde betekenis als toen Marx ze opschreef. In zijn tijd was in het taalgebruik van de Verlichtingsfilosofen een dictatuur de tegenhanger van tirannie; het woord verwees naar een eerbiedwaardige Romeinse traditie van in uitzonderlijke tijden het voor een beperkte periode toewijzen van bijzondere bevoegdheden aan een leider. Dictatuur betekende dus niet het op willekeurige, onbeperkte wijze kunnen gebruiken van macht. Na de militaire en bureaucratische dictaturen van de twintigste eeuw heeft het woord echter zijn onschuld verloren. Voor Marx was het de naam voor iets nieuws: voor de eerste helemaal zou de meerderheid van de bevolking, in uitzonderlijke tijden, de macht kunnen uitoefenen, zoals tijdens de Commune van Parijs. Toen werd, in de woorden van Marx, ‘eindelijk de vorm van de dictatuur van het proletariaat ontdekt’. Het is deze ervaring van de Parijse Commune, en alle andere experimenten in democratie van onderop, die tegenwoordig nog het overdenken waard zijn. Voor Marx was de dictatuur van het proletariaat dus geen gevestigd bewind. De term had veel meer een strategische betekenis, het beschrijft de breuk tussen een oude juridische orde en een nieuwe; ‘tussen twee tegenovergestelden is het kracht dat beslist’, zo schreef hij in Kapitaal. In zijn ogen was de dictatuur van het proletariaat een proletarische noodtoestand.

Tenslotte hoor je vaak dat Marx misschien wel een goede econoom was of een goede filosoof maar slechts een matige politicus. Volgens mij klopt dat niet. Marx is juist bij uitstek een politieke denker – maar dan politiek niet in de betekenis bij politicologie, als een technische beschrijving van een instituut. Trouwens, in de negentiende waren bestonden er buiten Groot-Brittanie in Europa geen parlementaire regeringen en geen politieke partijen in de zin zoals wij die tegenwoordig kennen. Marx zag politiek eerder in termen van gebeurtenissen, zoals oorlogen en revoluties en als een botsing van krachten. Dit is een opvatting van politiek die ik de politiek van de onderdrukten noem, de politiek van diegene die uitgesloten zijn van het staatsapparaat, wat in burgerlijke opvattingen de enige plek is waar professionele politiek bedreven wordt. Een ander concept van politiek, de opvatting van Marx, is juist vandaag erg relevant.

Dit lijkt mij belangrijker te zijn dan de blinde vlekken van Marx. Het zijn blinde vlekken die een kortsluiting kunnen veroorzaken tussen een uitzonderingstoestand (de ‘dictatuur van het proletariaat’) en het perspectief van een spoedig afsterven van de staat – en het rechtssysteem! Zo’n kortsluiting schijnt mij aanwezig te zijn bij Lenin, vooral in Staat en revolutie, en het heeft hem niet geholpen bij het overdenken van de institutionele en juridische aspecten van de overgangsfase. De ervaringen van de twintigste eeuw verplichten ons ten sterkste om de verschillen tussen partijen, sociale bewegingen en instituten van de staat te overdenken.

bensaid.gif
Daniel Bensaïd

Wat betreft de actualiteit van de erfenis, die is duidelijk : de actualiteit van Marx is de die van het kapitaal en de kritiek van de politieke economie, van het begrip van de onpersoonlijke en inherente logica van het kapitaal als een ‘social killer’. Het is ook de actualiteit van de commerciële globalisering. Marx was met eigen ogen getuige van een triomferende globalisering: de ontwikkeling van transport- en communicatiemiddelen, spoorwegen en de telegraaf, de verstedelijking en de financiële speculatie, de moderne oorlog en de ‘vernietigingsindustrie’. Wij leven in een tijdperk dat veel op het zijne lijkt, met een nieuwe technologische revolutie – internet, ruimtevaart – en nieuwe speculatie-schandalen en nieuwe oorlogen, ditmaal wereldwijd. Maar waar de meeste journalisten tevreden zijn met het beschrijven van de oppervlakte van de dingen helpt de marxistische kritiek ons bij het begrijpen van de logica van de gegroeide reproductie en accumulatie van kapitaal. Waar deze kritiek ons vooral bij helpt is bij het begrijpen van de crisis in beschaving, een algemene crisis van waarden, van ontregeling van de wereld. De waardewet degradeert alle rijkdom tot een verzameling van koopwaar en meet mensen en dingen slechts in termen van abstracte arbeid. De wereld wordt steeds meer en meer ‘miserabel’, om Marx’ term uit de Grundrisse te gebruiken. De partiële logica van arbeid en techniek vertaalt zich in een groeiende globale irrationaliteit. De sociale crisis – groeiende productiviteit leidt juist tot uitsluiting en armoede en niet tot meer vrije tijd – en de ecologische crisis – het is onmogelijk om de beurs of Nasdaq te laten beslissen over natuurlijke hulpbronnen die ontstaan zijn in periodes van duizenden jaren – zijn duidelijke voorbeelden van deze irrationaliteit.

Achter deze crisis, die het voortbestaan van de wereld en de menselijke soort bedreigt, liggen de inherente beperkingen van kapitalistisch eigendom. Alhoewel de socialisering van arbeid belangrijker is dan ooit tevoren is privatisering van industrie, diensten, ruimte, leven en kennis, een rem op de ontwikkeling en bevrediging van behoeften. De eis van goede publieke voorzieningen en de gratis ontwikkeling van bepaalde goederen en diensten, de claim op een gemeenschappelijk bezit van de mensheid wat betreft energie, toegang tot land, water lucht en kennis is een eis voor nieuwe sociale verhoudingen.

Tariq Ali

After the shallow, fading Cold War decades – the middle period – of the last century, an invigorating fever gripped the world.

Its effect was so strong that even today, 40 years later, conferences are being organised, and essays, documentaries and books are being produced to mark the event.

The tale has been told many times and in many languages, but it refuses to go away. Why? A banal reason could simply be biology: the ’60s generation is now in its 60s and some of its members are big in publishing, television, cinema, etc, especially in the West. This could be their last chance to remember, because 10 years from now most will be dead.

In France the debate was revived by Nicolas Sarkozy, who boasted that his victory in last year’s presidential elections was the final nail in the ‘68 coffin.

“May 1968 imposed intellectual and moral relativism on us all,” Sarkozy declared. “The heirs of May ‘68 imposed the idea that there was no longer any difference between good and evil, truth and falsehood, beauty and ugliness. The heritage of May 1968 introduced cynicism into society and politics.”

He even blamed the legacy of May ‘68 for immoral business practices: the cult of money, short-term profit, speculation and the abuses of finance capitalism.

The May ‘68 attack on ethical standards helped to “weaken the morality of capitalism, to prepare the ground for the unscrupulous capitalism of golden parachutes for rogue bosses”.

So we are really responsible for Enron, Conrad Black, the subprime mortgage crisis, corrupt politicians, deregulation, the dictatorship of the “free market”, a culture strangled by brazen opportunism, et al. Give us a break, Nicolas.

The dreams and hopes of 1968: were they all idle fantasies? Or did cruel history abort something new that was about to be born?

Revolutionaries – utopian anarchists, Fidelistas, Trotskyist allsorts, Maoists of every stripe, etc – wanted the whole forest. Liberals and social democrats were fixated on individual trees. The forest, they warned us, was a distraction, far too vast and impossible to define, whereas a tree was a piece of wood that could be identified, nurtured, improved and crafted into a chair or a table or a bed. Something useful for the present.

“You’re like fish that only see the bait, never the line,” we would mock in return. For our side believed – and some of us still do – that people should not be measured by material possessions but by their ability to transform the lives of others – the poor and underprivileged; that the economy needed to be regulated and reorganised in the interests of the many, not the few, and that socialism without democracy could never work.

Above all we believed in freedom of speech. The events of 1968 were, apart from everything else, an elegy for the print revolution.

A libertarian bulletin published by French students in 1968 sounds old-fashioned when so many live in cyberspace but at the time was a hymn to the written word:

“Leaflets, posters, bulletins, street words or infinite words: they are not imposed for the sake of effectiveness … They belong to the decision of the present moment. They appear, they disappear. They do not say everything; on the contrary, they ruin everything: they are outside everything. They act, they think in fragments. They do not leave a trace … as speech on walls, they are written in insecurity, communicated under threat, carry danger in them, then they pass by along with the passers-by, who pass them on, lose them or even forget …”

ALL THIS seems utopian now to the men and women whose minds have become a market dominated by futures buried in the past and, like members of ancient sects who moved easily from ritual debauchery to chastity, they now regard any form of socialism as the serpent that tempted Eve in paradise.

The Western world appeared tranquil after World War II. The complacent and self-satisfied Western European elites stagnated during the Cold War: they never had it so good. Eastern Europe was less quiescent: an uprising in East Berlin in 1953, an insurrection in Budapest in 1956 and upheavals in Poznan and Prague some years later had shaken the gerontocracy in Moscow.

The crisis of the old empires was typified by the wars in Algeria, Vietnam, Angola, Mozambique and Guinea-Bissau. The French and Portuguese refused to leave without a fight. The result was a set of brutal wars, defeats which created a severe crisis in the mother countries, leading to the 1958 collapse of the Fourth Republic in France and a growing crisis for a senile Bonapartist dictatorship in Portugal.

The war in Vietnam was entering its third and final phase. Occupied by France, later Japan, briefly Britain and then France again, the Vietnamese had honed the skills of popular resistance to an art form that wasn’t pretty or decorative. And in 1957 the leaders of the United States, convinced by the superiority of the white race and determined not to let the Vietnamese communists unite the country, replaced France as the colonial power and began to send in soldiers to shore up their local puppets.

What was remarkable about 1968 was the geographical breadth of the global revolt. It was as if a single spark had set the entire field on fire.

The eruptions of that year challenged power structures north and south, east and west. Each continent was infected with the desire for change. Hope reigned supreme.

It was the war that caught the attention of the world. Despite half a million soldiers and the most advanced military technology ever known, the US could not defeat the Vietnamese. This fact triggered an anti-war movement inside the US and infected the military. “GIs Against The War” became a familiar banner. And I remember sharing a platform with black veterans of the war in Berlin. “I ain’t gonna go to Vietnam because Vietnam is where I am,” one of them chanted to massive applause. Their direct heirs today are the “Military Families Against the War” in Iraq.

In 1966-67 I spent six weeks in Indochina at the height of the bombing and saw the devastation and the daily deaths of unarmed civilians. These remain etched in the memory. How can one forget? Agitating for a different world and for solidarity with the Vietnamese was the logical outcome for many in that generation.

And then, to our utter amazement, France exploded in May-June of that year, making it an uncommonly memorable and beautiful summer. Ten million workers on strike, the largest in the history of capitalism; factory occupations during which it became clear that the workers knew how to run the factories much better than any boss.

The example of France began to spread and worried the bureaucrats in Moscow just as much as the ruling elites in the West. They agreed that the unruly and undisciplined people must be brought to heel. Robert Escarpit, a distinguished Le Monde correspondent, expressed the mood well on July 23, 1968:

“A Frenchman travelling abroad feels himself treated a bit like a convalescent from a pernicious fever. And how did the rash of barricades break out? What was the temperature at five o’clock in the evening of May 29? Is the Gaullist medicine really getting to the roots of the disease? Are there dangers of a relapse? … But there is one question that is hardly ever asked, perhaps because they are afraid to hear the answer. But at heart everyone would like to know, hopefully or fearfully, whether the sickness is infectious.”

It certainly was. A “creeping May” took over in Italy and large anti-war demonstrations were treated as virtual insurrections by the British and German social democratic governments. Sweden was exceptional. Here the foreign minister, Olaf Palme, led a torchlight procession against the war to the US embassy and was never forgiven.

In Prague, communist reformers – many of them heroes of the anti-fascist resistance during World War II – had earlier that spring proclaimed “socialism with a human face”.

The country was bathed by the lava of the resulting debates and discussions in the state press and on television. The aim of Alexander Dubcek and his supporters was to democratise political life in the country. It was the first step towards a socialist democracy and seen as such in Moscow and Washington. On August 21, the Russians sent in the tanks and crushed the reform movement. Alexander Solzhenitsyn later remarked that the Soviet invasion of Czechoslovakia had been the last straw for him. Now he realised that the system could never be reformed from within but would have to be overthrown. He was not alone. The Moscow bureaucrats had sealed their own fate.

Later that year Mexican students demanding an end to oppression and one-party rule were massacred just before the Olympics.

And then in November Pakistan erupted. The students took on the state apparatus of a corrupt and decaying military dictatorship backed by the US (sound familiar?). They were joined by workers, lawyers, white-collar employees, prostitutes and other social levels and despite the severe repression (hundreds were killed) the struggle increased in intensity and toppled Field Marshal Ayub Khan in March 1969.

The country was in such a state of excitement. The mood was joyous. The victory led to the first general election in the country’s history. The Bengali nationalists in East Pakistan won a majority that the elite and key politicians refused to accept. Bloody civil war led to Indian military intervention and ended the old Pakistan. Bangladesh was the result of a bloody caesarean.

There were ripples elsewhere including Gough Whitlam’s opposition to the Vietnam War and his eventual election victory in Australia four years later, which marked a short break with the servility of the Australian political elite.

The collapse of “communism” created the basis for a new social agreement, the Washington Consensus, whereby deregulation and the entry of private capital into hitherto hallowed domains of public provision would become the norm everywhere, making traditional social democracy redundant and threatening the democratic process itself.

Full employment itself is now regarded as a utopia. The fact that no centre-left party today can even propose redistributive income taxes is an indication of how far their leaders have been forced to travel. These parties are without a compass. Their model is the Tweedledum-Tweedledee style of US politics.

Hope has been reborn in South America, where social movements from below have led to electoral victories in several countries, with Venezuela in the lead.

In the West itself an economic crisis beckons: societies cannot live off credit forever. The most significant shift we have witnessed has been a structural alteration of the world market: the Far East is now central to the future of capitalism. China today, like Britain in the 19th century, is the workshop of the world. The impact of this on world politics has yet to be felt. The half-asleep giant might wake up one day with surprising consequences.

Many of those who once dreamt of a better future have given up. Unless you relearn you won’t earn is the bitter maxim they espouse and, ironically, the French intelligentsia is among the worst today and presides over a decline in that country’s culture.

Renegades sit in every European government reminding one of Shelley’s gentle rebuke to Wordsworth who, after welcoming the French Revolution, retreated to a pastoral conservatism:

In honoured poverty thy voice did weave

Songs consecrate to truth and liberty,

Deserting these, thou leavest me to grieve,

Thus having been, that thou shouldst cease to be.

I think of another poet, the North American Thomas McGrath, who in the middle of the last century defended the radicalism of the 1930s. His poem Letter To An Imaginary Friend could apply just as well today to the ’60s:

Wild talk, and easy enough to laugh.

That’s not the point and never was the point.

What was real was the generosity, expectant hope,

The open and true desire to create the good.

Now, in another autumn, in our new dispensation

Of an ancient, man-chilling dark, the frost drops over

My garden’s starry wreckage.

Over my hope.

Over

The generous dead of my years.

Now, in the chill streets

I hear the hunting and the long thunder of money …

Tariq Ali was at the forefront of 1960s political activism and is a novelist, historian and political campaigner

Naar aanleiding van het initiatief van Terpstra (witte mensen spreken hun verontwaardiging uit over die vreselijk onbeschaafde Wilders), de acties van de IS en wat discussies met SP’ers ben ik eens wat gaan nadenken over de opkomst van het rechtspopulisme in Nederland. Hier wat van die gedachten dus.

Update: Debat op 16 maart in Rotterdam, 15.00 – 17.00 uur, White Elephant, West Kruiskade 73B: Een links antwoord op de rechtse hetze – tegen islamofobie, uitsluiting en rechtspopulisme. Klik hier voor alle info en de flyer.

Paul Mepschen

1.
Een links perspectief op de opkomst van Wilders in enge zin en het rechtspopulisme in brede zin moet los staan van de morele superioriteit van Doekle Terpstra en zijn brave blanke rechtse vrienden. De oproep van Terpstra werd ondertekend door veel CDA en VVD-kopstukken. Wat deze mensen willen is een neoliberale samenlevng, maar niet de ‘fall-out’ die bij dat neoliberalisme hoort: een grote mate van onzekerheid, (morele) paniek en een groeiende angst voor de buitenwereld, die zich onder andere uit in xenofobie, racisme en islamofobie. Ze willen dat het wel beschaafd blijft; Wilders vinden ze een onbeschaafde schreeuwlelijk die de status-quo bedreigt. Het moge duidelijk zijn dat veel van de ondertekenaars ook werkelijk belang hebben bij het op deze manier bestrijden van Wilders: Wilders bedreigt met name de VVD, maar in principe de hele rechtse status quo.
Overigens vind ik dat deze kritiek zich ook mag uitstrekken tot eerdere initiatieven. Ik denk dan met name aan het ‘Een land een samenleving’-initiatief waar onder andere Anja Meulenbelt haar naam aan heeft verbonden. De conferentie die deze club op 24 november organiseerde, werd geopend door Ivo Opstelten. Verder spraken mensen als VVD-kopstuk Dijkstal en CDA-professor Zijderveld. Dit zijn niet onze bondgenoten in de strijd tegen Wilders. Sterker nog, ze zijn medeverantwoordelijk voor de politieke en sociale toestand waarin mensen als Wilders gedijen. Dat Dijkstal een beetje oppositioneel is binnen zijn eigen partij – in het integratiedebat en met name toen mevrouw Verdonk nog lid was van de VVD – doet weinig af aan het feit dat hij decennia een de leidende figuren was in de neoliberale revolutie in Nederland.

2.
De doorbraak van het rechtspopulisme de afgelopen jaren is zowel een breuk als een historische continuïteit. De opkomst van Fortuyn en het rechtspopulisme (Leefbaar, Verdonk, Wilders, maar ook Hirsi Ali, Afshin Ellian, de heren van Opinio etc.) is echt kwalitatief anders dan eerdere uitdrukkingen van vergelijkbaar gedachtengoed als dat van de CD en CP’86. Ten eerste omdat het isolement van dit gedachtengoed volledig is doorbroken. De CD en CP86 werden geridiculiseerd, (gerechtelijk) vervolgd en veroordeeld. Janmaat kreeg de ene na de andere gerechtelijke uitspraak aan de broek. De CP werd zelfs verboden. Maar de opvattingen die zij uitdroegen zijn niet zo heel ver verwijderd van de dingen die Fortuyn zei en Kamp en Verdonk nu herhalen. Het is zeker zo dat Wilders in verder gaat, extremer is, dan Janmaat ooit durfde of wilde.
Ook op andere manieren is het isolement van uiterst rechts gedachten gedachtengoed doorbroken. Niet alleen kunnen de rechtspopulisten van nu op veel breder draagvlak rekenen dan de extreemrechtsen van vroeger, ook is hun invloed op het daadwerkelijke beleid sterk gegroeid. Het kabinet Balkenende III en het vorige college in Rotterdam, bijvoorbeeld, waren nooit mogelijk geweest zonder Fortuyn en de rechtspopulistische druk. Voor Verdonk en haar keiharde integratie- en vluchtelingenbeleid geldt natuurlijk hetzelfde. Sterker nog, veel van de neoliberale maatregelen die dit kabinet en bijvoorbeeld het huidige college in Rotterdam nemen –de neoliberale omwenteling wordt met een iets gematigder toon gewoon voortgezet – zouden ondenkbaar zijn geweest zonder Fortuyn. Het snel en hard en zonder concessies doorzetten van het sloopbeleid, maar ook de huisbezoeken en interventieteams en andere maatregelen om de onderklasse te criminaliseren en aan te pakken, zouden ondenkbaar zijn geweest voordat Fortuyn, Verdonk en Wilders op het politieke toneel verschenen.
De neoliberale aanval op allerlei verworvenheden is voor een belangrijk deel gevoerd over de ruggen van migranten en de allerarmsten. (We moeten niet vergeten dat het rechtspopulisme ook altijd tegen uitkeringsgerechtigden, zwervers, junkies etc is gericht). De aanval op migranten raakt aan de kern van de solidariteit. Hadden mensen al steeds minder het gevoel nog iets met een ander te maken te hebben – voor een redelijk welvarende werknemer uit Prins Alexander is het grotendeels allochtone Rotterdam West vaak een soort getto waar hij niks te zoeken heeft en niet mee verbonden is – Fortuyn legitimeerde ook nog eens die onbehaaglijkheid. Leo de Kleijn gaat in dit interview in op deze onwikkeling in Rotterdam.
Het moet overigens gezegd dat de VVD onder Bolkestein ook al populistische woorden sprak over migranten. Ik kan me nog goed herinneren dat wij in de jongerenorganisatie Rebel, waar ik begin jaren negentig mijn radicaallinkse activiteiten begon, altijd zeiden dat Janmaat door Bolkestein en andere politici die het xenofobisch vertoog gebruiken gelegitimeerd werd…

3.
Het structureel onbehagen onder de bevolking dat (een van de) bases is voor de opkomst van het rechtspopulisme, komt wat simplistisch gezegd voort uit de neoliberale globalisering. Tegelijkertijd accellereert het rechtspopulisme de neoliberale aanvallen op de bestaanszekerheid en de verworvenheden van mensen. Fortuyn en het rechtspopulisme hebben een verharding van het beleid mogelijk gemaakt door nog harder de solidariteit aan te vallen. En daar ligt een ander punt op basis waarvan we over het huidige rechtspopulisme kunnen zeggen dat het een breuk vertegenwoordigd met het extreemrechts van tien tot vijftien jaar geleden: de worteling van uiterst rechts in een deel van de elite. Het programma van de PVV is in veel opzichten het programma van de bazen: de PVV valt de positie van de vakbeweging aan; wil het ontslagrecht versoepelen; mensen dwingen te werken voor de uitkering; ferme bezuinigen op de sociale zekerheid; hij heeft kortom naast een xenofobisch programma dat er deels mee in tegenspraak is een radicaal neoliberaal project. De rechtspopulistische golf waar we nu mee te maken hebben is vanaf het begin heel stevig verbonden geweest met bepaalde groepen werkgever en groepen onder de allerrijksten. Dat geldt voor Fortuyn nog het duidelijkst – zijn banden met de vastgoedwereld zijn niet bepaald een geheim. Voor Verdonk is dat zo. Haar ondemocratische beweging zonder leden – populair in uiterst rechtse kring want Marco Pastors en Wilders gingen haar al voor – zal geen moeite hebben fondsen te vinden voor haar uiterst rechtse, islamofobische projectje.

4.
De prettige relatie tussen rechtspopulisme en neoliberalisme wekt geen verwondering op. Uiterst rechts in Nederland heeft diepe wortels in de neoliberale omwenteling die deze samenleving de afgelopen decennia heeft gekenmerkt. Juist daarom spreek ik over dat rechtspopulisme niet alleen als breuk, maar ook als onderdeel van een historische continuïteit.
Het rechtspopulisme had zich niet kunnen ontwikkelen zonder de kabinetten Lubbers en Paars, die een consequent neoliberaal beleid voerden. Het neoliberale offensief vanaf eind jaren zeventig en begin jaren tachtig heeft een sterke ideologische kant: de vakbeweging raakte internationaal in crisis en werd heel kwetsbaar voor de rechtse aanval op de ideologie van de arbeidersbeweging in brede zin en militante vakbeweging in smallere zin. Sarkozy, die een neoliberaal project in Frankrijk voorstaat, heeft gezegd: ‘Je veux tourner la page de ‘68’. Nou, voor een belangrijk deel is deze bladzijde in Nederland (toegegeven, die was ook minder goed beschreven) in de jaren tachtig al omgedraaid.
Bovendien ging de neoliberale turn gepaard met een stevige individualisering die steeds meer los kwam te staan van het streven naar indivuele ontplooiing in de jaren zestig en zeventig. Consumentisme ging de boventoon voeren. Mensen gingen in die jaren – van Thatcher, Reagan en Lubbers – met de rug naar het collectieve, naar de samenleving, staan. Nederland werd een geatomiseerde maatschappij. In dit artikel, dat ik enkele weken na de moord op Fortuyn in Grenzeloos schreef, dus bijna zes jaar geleden, schreef ik hier eerder over.

Om het kort samen te vatten, ik betoog dus dat het rechtspopulisme waar we nu mee te maken hebben zowel in continuïteit staat met de jaren van Lubbers en Paars als dat het gezorgd heeft voor een vrij stevige acceleratie van de neoliberale hervormingen waar we de afgelopen jaren mee te maken hebben. Het poldermodel, dat onder Paars nog het model voor heel Europa was – stond opeens onder druk. Eerst stond Fortuyn nog tamelijk alleen, maar de houding en de stijl van Balkenende III ten opzichte van de vakbeweging en verworvenheden van werknemers, spraken boekdelen.

5.
Met allerlei actieve mensen in Rotterdam heb ik de afgelopen tijd stevig gediscussieerd over ‘wat te doen tegen Wilders’. De insteek bij veel mensen is terecht: ‘we moeten betogen dat mensen samen de lul zijn, samen het slachtoffer van neoliberale maatregelen; afbraakpolitiek; bezuinigingen!’ Ik ben het daar hartgrondig mee eens. Natuurlijk ligt daar de kern: uiterst rechts bedrijft verdeel-en-heers-politiek. Als arbeiders met verschillende culturele achtergrond elkaar niet meer begrijpen en elkaar de schuld geven van hun problemen, worden de echte problemen niet versluierd.
Maar we moeten vooral ook begrijpen hoe groot de kloof tussen mensen ondertussen is. We hebben nu ongeveer zes jaar van heel intensieve en voortdurende aanvallen op migranten en vooral moslims achter de rug. Een aanval die steeds weer opnieuw werd opgevoerd: na de El-Moumni-affaire; de film van Hirsi Ali; de moord op Van Gogh; het zijn maar enkele voorbeelden. Het dominante beeld dat werd geschetst was die van de moslim als Ander, met een hoofdletter: als iemand die niet bij de moderne, seculiere, tolerante samenleving waarin we leven hoort of past. Hij zou te primitief zijn om homoseksualiteit en vrouwenrechten te accepteren; te ‘wild’ om vatbaar te zijn voor ons rechtssysteem; te dom om ons VMBO goed te doen. In toenemende mate is een cultureel-etnisch determinisme voor allerlei maatschappelijke problemen een belangrijke rol gaan spelen. Dat is echt een teken van maatschappelijke regressie – je zou toch denken dat met dit soort determinisme in de jaren zestig en zeventig was afgerekend. Nee hoor, enkele jaren geleden riep de bekende hoogleraar psychologie Dolph Kohnstamm doodleuk – zonder daarvoor bewijzen aan te voeren – dat etniciteit wel degelijk als oorzaak van maatschappelijke achterstand begrepen kan worden.
Naast het stigmatiseren van moslims wordt de westerse cultuur als superieur en dominant gepresenteerd, waarbij de platitudes en het simplisme over wat dat dan behelst, de westerse cultuur, hand over hand toenemen. Dit alles heeft een enorme weerslag op de samenleving, op de solidariteit en op ons streven aan mensen uit te leggen dat ze ‘samen de lul’ zijn. En dat geldt al helemaal als je je wilt richten op het echte Wilders- en Leefbaarelectoraat – mensen rond de grote steden en en in de relatief witte wijken in de Randstad en in de kleinere plattelandssteden. Vaak gaat het om mensen met een grote angst en weinig begrip voor en interesse in die moslim en/of allochtone Ander.

Links zal zich steviger moeten inzetten om een goede analyse van het karakter van de islamofobie en het hedendaagse racisme te ontwikkelen, net als een fundamentele kritiek op het idee van de superioriteit van de westerse cultuur. Ook actief links zal de confrontatie met de islamofobie aan moeten. Zo gemakkelijk is dat nog niet voor politieke stromingen met diepe wortels in radicaal secularistisch/atheïstisch gedachtengoed. Want we moeten echt leren heel anders naar religie te kijken.

Dan rest mij nu alleen nog de woorden ‘wordt vervolgd’ te tikken. Maar eerst raad ik heel onbeschaamd een aantal stukken aan die als achtergrond van uw en mijn eigen denken over deze onderwerpen kunnen dienen: Om te beginnen het interview dat Alex de Jong en ik in 2005 hadden met Tariq Ali, over islam en socialisme. En verder:

Dit stukje van mij over de Sooreh Hera-affaire; : en dit stuk over boerka en boerkaverbod; en dit stuk : over de hoofddoek; en dit stuk over het dubbele karakter van de AEL.

Als aanvulling op het interview met Alain Krivine hieronder, dit filmpje over Mei ‘68

Onderstaand stuk schreef ik voor SPanning, het blad van het wetenschappelijk bureau van de SP. Het is een interview met een van de leiders van Frans socialistisch links, Alain Krivine. Over veertig jaar ‘68 en de strijd tegen de neoliberale plannen van Sarkozy en de nieuwe antikapitalistische partij waarvoor de Ligue Communiste Révolutionnaire het initiatief heeft genomen. Niet iedereen krijgt SPanning thuis. Daarom hieronder het interview. (Paul Mepschen)

Volgend jaar is het veertig jaar geleden: het legendarische jaar 1968. Voor linkse mensen over de hele wereld staat 1968 symbool voor rebellie en verzet, en voor de hoop en het geloof in een andere en meer rechtvaardige samenleving. In Praag was 1968 het jaar van de strijd tegen bureaucratie en dictatuur en voor een ‘socialisme met een menselijk gezicht’. In de VS en de rest van de wereld rebelleerden mensen tegen de afschuwelijke oorlog in Vietnam. In mei stond Frankrijk op de rand van een revolutie. Een algemene staking waaraan miljoenen arbeiders meededen legde het land plat; arbeiders sloten zich massaal aan bij de studentenprotesten. In Parijs demonstreerden een miljoen mensen. De rechtse president De Gaulle vluchtte zelfs tijdelijk naar een Duitse legerbasis. Een van de leiders van de studenten- en arbeidersopstand van mei ’68 in Frankrijk, Alain Krivine, was onlangs even in Nederland. Spanning sprak met hem en maakte de balans op: mei ’68, veertig jaar later.

Alain Krivine is 66 en behoort tot de meest actieve figuren binnen Frans links. Hij is een van de woordvoerders van de Ligue Communiste Révolutionnaire (LCR), de revolutionaire organisatie (met enkele duizenden leden) die in de jaren na 1968 ontstond. Tussen 1999 en 2004 zat hij voor deze partij in het Europees parlement. Daar behoorde hij tot dezelfde fractie als SP-Europarlementslid Erik Meijer. Tegenwoordig zet hij, in een tumultueus Frankrijk dat soms een beetje doet denken aan die revolutionaire dagen in mei ’68, behoedzame eerste stappen op weg naar een nieuwe linkse, antikapitalistische partij in het land.

De betekenis van mei ‘68
‘In 1968 kwamen wereldwijd een aantal zaken samen. Het Tet-offensief in Vietnam dat de Amerikanen flinke nederlagen toebracht; de Praagse Lente; de studentenopstand in Mexico; alles leek mogelijk. Er was sprake van wereldwijd verzet. Miljoenen mensen geloofden echt in verandering, zelfs in revolutie.
‘In mijn ogen behoorde het jaar 1968 tot een overgangsperiode. We zagen aan de ene kant de ‘oude’, traditionele arbeidersklasse in actie komen, samen met de studenten. Tegelijkertijd was ’68 het allereerste begin van de opkomst van een ‘nieuwe’ arbeidersklasse en van nieuwe sociale bewegingen. Van een nieuw links, dat naast de traditionele eisen van werknemers nieuwe eisen ging stellen: de emancipatie, zelfs de bevrijding, van vrouwen en homoseksuelen bijvoorbeeld. Het is pas na ’68 dat deze bewegingen echt tot ontwikkeling kwamen, maar in ’68 zagen we hiervan het begin. ‘In Frankrijk waren het net als in andere landen aanvankelijk radicaliserende jongeren die de straat op gingen en de universiteiten bezetten. De directe aanleiding was een conflict tussen studenten en de regering over ondemocratische onderwijshervormingen. Maar veel studenten verzetten zich in het algemeen tegen de rechtse president, De Gaulle; tegen het Amerikaanse imperialisme en de oorlog in Vietnam. ‘Het bijzondere aan Frankrijk was dat de rebellie niet beperkt bleef tot studenten. De arbeiders sloten zich bij de protesten aan. In de tweede week van mei staakten tien miljoen arbeiders. De algemene staking was een feit. In Parijs liepen een miljoen mensen door de straten! De traditionele vakbeweging probeerde de protesten van arbeiders in ‘goede’ banen te leiden en eiste meer loon en betere arbeidsomstandigheden. Maar veel werknemers lieten zich niet door de gematigde vakbonden inkapselen in gingen veel verder: zij eisten het aftreden van De Gaulle; keerden zich tegen het kapitalisme in het algemeen en bepleitten arbeiderszelfbeheer in de fabrieken.’

‘De herinnering aan mei 1968 is nu, bijna veertig jaar na dato, nogal selectief. Het is ‘hun herinnering versus het onze’. Veel van mijn oude kameraden – mensen die een belangrijke rol speelden in die meidagen – zijn overgelopen naar het rechtse kamp. Het toppunt is natuurlijk Bernard Kouchner. Ooit een kind van ’68 en een linkse politicus, nu minister in de rechtse regering van Sarkozy. Ook iemand als Daniel Cohn-Bendit – een van de belangrijkste leiders die een immense populariteit genoot – heeft heel fundamenteel afstand genomen van de erfenis van ’68. Cohn-Bendit behoort nu tot de rechtervleugel van de rechtervleugel van de Groenen en dat is heel rechts. Die volledige omhelzing van het neoliberalisme; de steun aan allerlei militair ingrijpen door onder andere de VS. Voor een oude kameraad als ik is dat onbegrijpelijk. Cohn-Bendit was heel links in die jaren. We trokken veel samen op. Enkele jaren geleden kwam ik hem weer tegen in het Europees parlement. We hadden politiek gezien niet veel meer met elkaar gemeen.

 

‘Veel van de 68-ers zijn naar rechts opgeschoven. Dat is ook te snappen. Veel van deze mensen hadden een verkeerd beeld. Ze begrepen eigenlijk weinig van ’68. Ze hebben niet begrepen dat de Franse arbeidersbeweging toen niet in staat was de macht te grijpen. Toch was dat toen al duidelijk, met name omdat de communistische partij (PCF) niet voorbereid en in totale verwarring was. Er was de mogelijkheid voor rebellie en verzet, maar ‘de revolutie’ – dat niet. Veel van de mensen die nu tot het rechtse kamp behoren, zaten toen in allerlei ultralinkse groepjes die vol ongeduld en onbegrip waren. Zij begrepen weinig van de arbeiders. Uiteindelijk zijn enkelen van hen zich tegen de arbeiders en tegen links gaan keren. Zo is het gegaan.’

Sarkozy tegen de geest van ‘68
‘Volgens Frans rechts, ook volgens veel voormalig linkse intellectuelen, is ’68 de wortel van al het kwaad in de Franse samenleving. De filosoof André Gluckmann betoogt bijvoorbeeld dat ’68 verantwoordelijk is voor een ‘intellectueel en moreel relativisme’ dat Frankrijk kapot maakt. En dat zegt hij, die het moreel totaal failliete kapitalisme omhelst! Door rechts wordt ’68 afgeschilderd als een hedonistische periode – alsof het alleen ging om vrijheid, blijheid. Met de werkelijkheid heeft dat niks te maken. In mei ’68 vond een machtige algemene staking plaats. Massademonstraties die Frankrijk op zijn grondvesten deden schudden!
‘De belangrijkste man van rechts, Nicholas Sarkozy, weet heel goed dat het om dàt ’68 gaat. Wat er nu in Frankrijk gebeurt heeft alles te maken met 1968. Sarkozy heeft het in de verkiezingscampagne in zoveel woorden gezegd: “Je veux tourner la page de May 1968.” Sarkozy wil afrekenen met de geest van ’68. Hij haat ’68! Hij wil het programma van de werkgevers, de bazen, uitvoeren! Dat is een keihard neoliberaal programma, waartegen de Franse arbeidersbeweging zich de afgelopen jaren steeds heeft verzet. Daarom kiest Sarkozy voor de frontale aanval op de erfenis van ’68: op de geest van het verzet en de rebellie van de Franse arbeiders en studenten. De verworvenheden van ’68 staan op het spel.’

‘De sociale en politieke strijd in Frankrijk leeft op na de verkiezing van Nicolas Sarkozy tot president. Zijn neoliberale maatregelen raken direct aan de belangen van miljoenen werknemers, ouderen, studenten en scholieren. Het verzet tegen de aanval op de erfenis van ’68 is breed. Grote stakingen, studentenprotesten, net als in 1968. Maar we zitten tegelijkertijd met een enorme politieke crisis van links. De Parti Socialiste (PS – vergelijkbaar met de Nederlandse PvdA) heeft zich bijna helemaal overgegeven aan het neoliberaal model. De meerderheid van die partij was vóór de neoliberale Europese grondwet; tijdens de verkiezingscampagne wist de kandidate van de PS, Ségolène Royal, op geen enkele manier vorm te geven aan een alternatief voor de rechtse voorstellen van Sarkozy. Tegelijkertijd verkeert de communistische PCF – nog altijd met haar 130.000 leden de derde partij van Frankrijk en de grootste partij ter linkerzijde – in een diepe crisis. Tijdens de laatste presidentsverkiezingen haalde de communistische kandidate minder dan twee procent van de stemmen. Een historisch dieptepunt. ‘Er is in Frankrijk ruimte voor een nieuw initiatief. Na de overwinning van het NEE tegen de grondwet in 2005 zeiden wij al: ‘Laten we de kritische linkse krachten bundelen en een partij oprichten met mensen die een alternatief voor het kapitalisme willen en de strijd aan willen met zowel de PS als Sarkozy. Nu, na het debacle van de presidentsverkiezingen van dit jaar – waaraan vijf onafhankelijke linkse kandidaten met vergelijkbare programma’s meededen – zeggen we het weer. Er is ruimte voor een brede partij van veranderingsgezind links, in de geest van ’68.’

‘Terugkijkend moet ik zeggen dat ik vind dat we veel hebben bijgeleerd. Ik vergelijk mijn eigen optreden met dat van Olivier Besancenot, de postbode en presidentskandidaat van de LCR die bij de laatste presidentsverkiezingen meer dan vier procent haalde, ongeveer anderhalf miljoen stemmen. Meer dan welke andere linkse kandidaat ook. Olivier behoort volgens dagblad Le Monde tot de meest populaire politici van Frankrijk. Hij is beter dan ik. Zelf was ik na 1968 enkele malen presidentskandidaat voor de LCR. Het verhaal dat ik toen hield – de manier waarop ik sprak – dat vind ik achteraf gezien wat genant. Zó intellectueel en theoretisch! Ik kan me niet voorstellen dat ook maar iemand dat begreep. Dat begrepen mensen helemaal niet. Wij spraken toen de taal van gewone mensen niet. Geen wonder dat we nooit meer dan een procent van de stemmen haalden! Besancenot spreekt de taal van gewone mensen. Hij is zelf postbode. Iemand met een klein inkomen, zoals heel veel Fransen. Het is ontzettend belangrijk om dicht bij de mensen staan. Daar weten jullie in de SP alles van.’

Tariq Ali over ‘68

Tokyo Zero is een fascinerende misdaadroman van de Britse auteur David Peace. In dit boek verteld Peace het verhaal van de Japanse politie inspecteur Minami die in het Tokyo van vlak na de oorlog onderzoek doet naar de moord op verschillende jonge vrouwen. Tokyo in 1946 is een woestenij. In ruïnes en chaotisch is de stad een belangrijke deel van het verhaal. Een van de mooie dingen aan Tokyo Zero is hoe Peace de lezer de drukte en wanorde van de stad laat voelen. Terwijl Minami door de straten zwerft op zoek naar aanwijzingen, op weg naar zijn vrouw en kinderen of naar zijn minnares, is het geluid van gehamer – ton-ton – voortdurend aanwezig. Terwijl de Japanse samenleving nog staat te trillen op zijn benen, nog niet bekomen van de schok en de vernedering van de nederlaag, is de wederopbouw al in volle gang. De paar stukken van het verhaal die zich in het omliggende platteland afspelen lezen ook echt anders dan de episodes in de hectische stad. Niet dat de hectiek van de wederopbouw Minami af leidt. Meer nog dan door de vraag wie de moordenaar is wordt de nerveuze inspecteur geplaagd door oorlogsherinneringen. Herinneringen die pas aan het slot van het verhaal duidelijk worden. En dan ook wordt duidelijk hoe zeer dit verleden, dat Minami zo veel mogelijk wil vergeten, invloed blijft hebben op het heden.

TokyoZero

Tokyo Zero wordt in de eerste persoon verteld door Minami zelf. Peace laat hem zijn verhaal vertellen in hypnotiserende stream of consciousness. De lezer weet niets meer dan Minami zelf en wordt deelgenoot van zijn ervaringen. Aanvankelijk zijn de korte zinnen, geregeld afgewisseld door de geluiden en stemmen om Minami heen, even wennen maar daarna is het een effect des te sterker. Minami is zenuwachtig, zeg maar neurotisch, aan de rand van een instorting door de chaos om heen. Hij slaagt er niet meer om de wereld om heen te begrijpen; communisme is illegaal, communisme is toegestaan. Japan wint de oorlog, Japan verliest. Democratie is slecht, democratie is goed. Na jaren van oorlog en propaganda is de nieuwe, door de Amerikaanse troepen gebrachte orde een zware schok. Naarmate de druk op Minami toeneemt – om de moorden op te lossen maar ook omdat zijn verleden hem in haalt – gaat hij definitief ten orde.

Tokyo Zero is een spannende thriller. Maar het is ook een boek over Japan en de gevolgen van de oorlog voor de Japanse samenleving. Peace vertrok toen hij in de twintig was naar Japan om daar Engels leraar te worden en heeft voor Tokyo Zero uitgebreid archief onderzoek gedaan. De moorden waar het verhaal om draait hebben daadwerkelijk plaatsgevonden. Personages in Tokyo Zero, zoals de misdaadbaas die opeens geconfronteerd wordt met Chinese concurrentie of de eens zo machtige politiefunctionarissen die nu vrezen weggezuiverd te worden, staan symbool voor de manier waarop Japan veranderde onder de Amerikaanse bezetting; gedwongen passen ze zich aan maar ze behouden zo veel mogelijk van de oude gewoontes. Het resultaat is iets nieuws, zeker geen kopie van de Amerikaanse samenleving, hoe zeer bevelhebber MacArthur hier misschien ook naar streefde. Een rode draad in Year Zero is hoe de Japanse samenleving blijft wegkijken van de gruwelijkheden die onder Japanse vlag begaan werden. De nieuwe, democratische maatschappij heeft een gruwelijk verleden dat echter niet erkend wordt maar genegeerd wordt. Maar, zoals het lot van inpsecteur van Minami laat zien, het is niet mogelijk om te ontsnappen aan de geschiedenis.

Daid Peace, zelf links, ziet zijn boeken als een manier om commentaar te geven op de wereld om hem heen. Het misdaadgenre is daarbij uitstek voor geschikt juist omdat het over de schaduwkanten van de samenleving gaat, over ongemakkelijke waarheden. Een eerder boek van hem, GB84, heeft de geheime oorlog van de Britse staat tegen de stakende mijnwerkers in de jaren tachtig als onderwerp. Ook in Tokyo Zero schrikt Peace er niet voor terug om politieke kwesties prominent voor het voetlicht te brengen; het racisme in de Japanse samenleving tegen Chinezen en Koreanen, oorlogsmisdaden begaan door het Japanse leger maar ook de misdaden van het Amerikaanse leger. Dit doet hij op zijn manier dat de politieke kwesties niet slechts toevoegingen zijn, losse decoratie die er bij wijze van spreken achteraf bij bijgevoegd is, maar een integraal deel vormen van het verhaal. Het resultaat is grimmig, fascinerend, leerzaam. Toky Zero is het eerste deel van een geplande trilogie over na-oorlogs Japan. De volgende boeken zijn iets om naar uit kijken voor fans van misdaadromans.

Lees hier een interview door de linkse publicist Mike Marqusee met David Peace over diens politieke opvattingen en zijn boeken.