Bensaïd laat zijn licht schijnen over de dialectiek en bezorgt en passant hoofdpijn….
4. Zou je je mening over de plaats van dialecktiek in de marxistische theorie kunnen uiteenzetten ?
De vraag is te veelomvattend en er is al te veel inkt vergoten met betrekking tot deze kwestie om een bondig antwoord te kunnen geven. Ik zal me daarom beperken tot enkele algemene opmerkingen.
Gedurende de negentiende eeuw worstelden de Duitsers, Italianen en meer nog de Russen voor hun nationale en sociale bevrijding en hadden hierbij de dialectische kritiek nodig. De Franse conservatieve ideologie deed na juni 1848 en de Commune van Parijs alles om een dergelijke emancipatie te blokkeren. De ‘ondergrondse stroming van het materialisme van de samenkomst’, zoals de Althusser het mooi noemde in één van zijn laatste geschriften, had in Frankrijk al zijn werk gedaan voor de verspreiding van de denkbeelden van Marx. Het ‘spoorloze marxisme’ van Guesde of Lafargue was getekend door positivisme. Het was voor hen moeilijk om over te gaan van een logica van louter classificeren naar een dynamische, dialectische logica zoals Marx die op briljante wijze liet zien in Het Kapitaal.
In zijn meer rigide vormen verergerde het structuralisme dat zo modieus was in de jaren zestig dit gebrek; het creëerde een impressie van structuren als versteend, zonder gebeurtenissen of rol voor subjecten. Systemen werden ontdaan van hun geschiedenis en het werd moelijk de werkelijke geschiedenis van de afgelopen eeuw te overdenken.
De marxistische orthodoxie, in de jaren dertig vanwege machtspolitieke redenen gepropageerd door de zegevierende stalinistische bureaucratie, had van dit gebrek aan dialectiek geprofiteerd. Er werd een dogmatische filosofische kanon opgesteld; ‘diamat’. Het was een tweede sterfbed voor de dialectiek, een soort Thermidor in de theorie die zich duidelijk liet zien in de veroordeling van de psychoanalyse en het Surrealisme op het sinistere congres van Kharkov en in de onvergetelijke brochure Historisch materialisme en dialectisch materialisme waarin Stalin de doctrine vastlegde. De ‘dialectiek’ was vanaf dat moment niet meer dan een formele meta-logica, alleen goed als een werktuig van de staat en in het bijzonder om mensen te breken. De dialectiek van een kritisch bewustzijn – zoals bij Lukacs of Korsch – moest wijken voor het staatsbelang.
Deze theoretische reactie ging gepaard met een ander proces, vooral in Frankrijk. Onder het voorwendsel van de verdediging van het rationalisme en de Verlichtingsdenkers tegen allerlei obscurantistische ideeën – een project dat tot op zekere hoogte en in een bepaalde vorm legitiem is – completeerde een soort ‘filosofisch volksfront’ het politieke volksfront. Een soort ‘anti-fascistische’ alliantie onder burgerlijke hegemonie dus. Deze on-dialectische verdediging van de Rede was een postume overwinning voor de methode van Descartes op de dialectiek van Pascal. Zelfs Lukacs, die tot 1926 weerstand bood aan het tribunaal van zijn filosofische vijanden en in zijn onlangs her-ontdekte boek A defence of history and class-consciousness de rol van spontaniteit en het bewustzijn verdedigde, gaf uiteindelijk toe. Hij schreef De vernietiging van de rede, niet zijn beste boek. Het verscheen pas na de oorlog. De overwinning van de bureaucratische contra-revolutie poneerde in feite een binaire logica ; wie niet met ons is, is tegen ons…. De mogelijkheid van een tweede tegenstelling, zelfs op secondair niveau, werd uitgesloten. Deze logica van intimidatie en verdachtmakerij heeft behoorlijke politieke schade gedaan, bijvoorbeeld tijdens de Sovjet invasies van Hongarije, Tsjecho-Slowakije, Polen en Afghanistan.

Misschien zijn we getuige van een renaissance van dialectisch denken. Dat zou mooi zijn, een teken dat de wind gedraaid is, dat de negatieve zijde van de dialectiek nieuw leven heeft gekregen. Een nieuw leven van ontkenning tegen de stroom van de reclame-industrie in, die ons tegen elke prijs van het ‘positieve’ wil overtuigen. Tegen de stroom van retoriek over consensus en algemene verzoening. De tijdsgeest heeft een dringende behoefte aan kritisch, dialectisch denken. Er zijn goede redenen voor een dergelijke heropleving.
Ten eerste een historische reden. Na de tragedies van de afgelopen eeuw kunnen we ons niet langer in slaap laten wiegen door de notie van een onvermijdelijke, uni-lineaire vooruitgang. We moeten de vreeswekkende dialectiek tussen vooruitgang en catastrofe, zoals Walter Benjamin die beschreven heeft, niet negeren. Dat kunnen we al helemaal niet meer in het tijdperk van onzekere veranderingen waarin de wereld zich nu zo’n twintig jaar bevindt. Er is een noodzaak aan een dialectische ecologie zich op twee fronten afzet: tegen de commerciële globalisering maar ook tegen de dodelijke verleidingen van ‘deep ecology’.
De vernieuwing van de categorieën van een dialectische logica in het licht van wetenschappelijke controverses over chaostheorie, systeemtheorie, holistische of complexe causaliteit en zo verder heeft een nieuwe dialoog tussen verschillende onderzoeksvelden op de dagorde geplaatst – op voorwaarde dat we slechts voorzichtig van het ene domein naar het andere overstappen. Dit is een test voor een vernieuwde dialectische logica.
Er is dringende nood aan een totaliserende interpretatie van globalisering, een open totalisering, om de nieuwe gezichten van laat-imperialisme te begrijpen en politiek in te grijpen in een ontwikkeling die meer ongelijk is en slechter gecombineerd dan ooit in de geschiedenis.
Er is een dringende nood om de eeuw te bezien vanuit het standpunt van een verbroken tijd/ruimte, van het conceptualiseren van een specifieke politieke temporaliteit van ongelijktijdigheden en achteruitgang in plaats van het luie, chronologische denken dat slechts termen als post- en pre hanteert: post-kapitalisme, post-communisme… Een dringende noodzaak om de effectieve vooruitgang van ontwikkeling, of – in de terminologie van Trotsky, het overgroeien – te meten in plaats van de ‘groei zonder ontwikkeling’. Lefebvre heeft deze laatste denkwijze sterk bekritiseerd.
Ten slotte, het einde van de Koude Oorlog en de complexe interactie tussen verschillende conflicten verplicht tot het afscheid nemen van de binaire logica van ‘kampen’, elk met een eigen vaderland – zelfs als dit het land van het reële niet-bestaande socialisme was. In plaats daarvan moet een een derde standpunt geïntroduceerd om zich strategisch te kunnen plaatsen in conflicten zoals de oorlogen in de Balkan of de Golf.
Tegen deze achtergrond laat dialectisch denken zijn waarde zien, is het noodzakelijk om te voorzien – en zich te verheugen op – wat de toekomst brengt, na het Zwartboek Communisme en het Zwartboek van de pyschoanalyse een ‘Zwartboek dialectiek’. Dat zou betekenen dat de antagonistische tegenstelling niet geneutraliseerd is, niet is opgegaan in ‘co-relatie in plaats van contradictie’. Dat zou ook het falen aantonen van de fetisj van het fait accompli, het verruilen van het doel van het mogelijke voor dat van meer winst in een verarmde wereld. En dat de ‘negatieve filosofie’, het werk van de negatie, het oogpunt van de totaliteit, de ‘sprongen’ gevierd door Lenin in zijn aantekeningen bij Hegel’s Logica, definitief niet zijn getemd.
Want door de lens van de dialectiek is de Revolutie te ontwaren. De Luckacs van Geschiedenis en klassebewustzijn en Lenin. Een studie in zijn denken had dit goed begrepen. Dat was natuurlijk wel in het midden van de storm, tijdens crisisjaren die logischerwijs ook jaren van een intense dialectiek waren.

