februari 2008


Nederland slaat volgens allerlei links- en rechts-liberalen internationaal een slecht figuur omdat de Nederlandse overheid de bescherming van Ayaan Hirsi Ali niet langer wil betalen. Freek de Jonge, al sinds jaar en dag de minst grappige man van het land, vergelijkt Ayaan alvast met Anne Frank. Bernard-Henri Lévy, de man die denkt alles te weten, heeft zich in Frankrijk opgeworpen als haar kampioen. Hij vindt dat Frankrijk zich over haar moet ontfermen en wordt daarin gesteund door Ségolène Royal die na haar afgang tegen Sarkozy en de desoriëntatie van de Parti Socialiste weer iets gevonden heeft waardoor ze toch nog even gehoord kan worden.  In de VS is het Christopher Hitchens, in zijn jonge jaren bewonderaar van Saddam Hussein, tegenwoordig fan van Amerikaanse clusterbommen, die het schandalig vindt dat Ayaans lijfwachten niet langer door de Nederlandse staat betaald worden. Een Heilige Alliantie van has-beens en never-were’s heeft zich om de voormalige VVD-politica geschaard.

In een interview met Volkskrant omschrijft Hitchens Ayaan als in oorlog met ‘de islam’ – niet met fundamentalisten, maar met de gehele islam. Het is een beschrijving die de voormalige ’sociaal-democraat’ en ’liberale moslim’ wel zal delen. In een interview met het Amerikaanse blad Reason verklaarde Hirsi Ali, de verdedigster van ‘democratie’ en ‘Verlichtingsidealen’, dat het westen de keuze moet maken tussen een nederlaag of het militair verpletteren van anderhalf miljard moslims:

Hirsi Ali: [...]flex your muscles and you say, “This is a warning. We won’t accept this anymore.” There comes a moment when you crush your enemy.

Reason: Militarily?

Hirsi Ali: In all forms, and if you don’t do that, then you have to live with the consequence of being crushed.”

Dat dit soort proto-genocidale fantasieën tegenwoordig opgevat worden als een waardevolle bijdrage aan het debat over verhoudingen tussen verschillende culturen werpt licht op de intellectuele wildernis waarin we leven. Dat zo iemand om de haverklap vergeleken wordt met grote intellectuelen als Voltaire is verbijsterend, maar verbaast in de huidige omstandigheden al niet meer. Niet dat er helemaal geen parallellen te vinden zijn. De Verlichtingsfilosoof had bijvoorbeeld niet zo veel met democratie en was vol bewondering voor Katarina II die als ‘verlicht despoot’ over Rusland regeerde. Ayaan prefereert ook al de junta boven de democratie. Toen het Turkse leger suggereerde zoals ze gewoon is een militaire coup te plegen als de Turken een regering kiezen die niet naar de smaak van de generaals is, stond Hirsi Ali vooraan om de junta al goed te praten voordat ze bestond.

Toen Ayaan, de atheïstische feministe, een mooi baantje kon krijgen bij een denktank die intellectuele munitie levert voor christelijke fundamentalisten en anti-choice activisten, maakte zij zonder dralen ook deze draai. Draaien is iets wat ze al zo vaak gedaan heeft, oefening baart kunst. Waarom Ayaan nu op zo’n voetstuk geplaatst wordt is mij dus een raadsel. Zij is zonder twijfel een slachtoffer geweest van obscurantistische, vrouwenhatende fanatici, en het is bewonderenswaardig dat ze hier aan wist te ontsnappen en een nieuw leven opbouwde in Nederland. Dat ze zich tegenwoordig inlaat met fanatici die evenzeer bereid zijn over lijken te gaan omdat hun god verteld heeft dat het de right thing to do is, haalt er een beetje de glans van af. Maar hoe hypocriet ze ook is, er is een ding waar ze natuurlijk nooit water bij de wijn gedaan heeft en dat is haar vijandigheid tegenover moslims. Wat misschien nog begon als gerechtvaardigde kritiek op religieuze anti-democraten is nu allang doorgeslagen tot laster en oorlogshitserij. Ondertussen stapelden de moeilijkheden voor Ayaan zich steeds verder op. De hardnekkigheid van Ayaan kan misschien aangemerkt worden als moed maar het is vooral ook koppigheid in de dienst van een verwerpelijke, misantropische politiek.

Het is onzin om Ayaan Hirsi Ali te verwijten dat ze polariserend werkt, polarisatie is soms goed. De vraag die centraal staat is langs welke lijnen die polarisatie vrom krijgt. Ayaan draagt er flink aan bij dat die polarisatie plaats vindt langs religieuze lijnen – lijnen die naarmate een religie als de islam steeds meer wordt afgeschilderd als monolithisch en onveranderbaar ook steeds meer een etnisch karakter krijgen. Haar polaristatie is er een die naadloos aansluit bij het wereldbeeld van de jihadi’s die de war on terror óók als een godsdienstoorlog tegen de islam zien.

Ayaan Hirsi Ali wordt nu geconfronteerd met wat deels de gevolgen zijn van haar eigen keuze om naar de VS te vertrekken; ze had er voor kunnen kiezen in Nederland te blijven en dan was haar beveiliging gewoon betaald. Bulldog en partijgenoot Rita Verdonk slaagde bij Ayaan, medialieveling en vriendin van de Nederlandse elite, immers niet in waar ze wel in slaagde bij zo veel andere vluchtelingen. Ayaan werd niet opgesloten, geboeid en op het vliegtuig gezet. Praktijken waar deze grote humanist nooit tegen heeft geprotesteerd en die door haar eigen partij uitgevoerd werden.

Door en door hypocriet is Ayaan dus.

Betekent dat nu dat ik vind dat de Nederlandse regering inderdaad niet meer hoeft te betalen voor haar beveiliging? Welnee, dat geld moet gewoon neergeteld worden. Niet omdat Nederland anders een slecht figuur slaat - dat zou juist een goede reden zijn om de geldkraat dicht te draaien – en niet vanwege Bernard-Henri Lévy – die vindt wel weer een andere zaak waarmee hij zich in de schijnwerpers kan spelen. Maar, nog afgezien van het gegeven dat een mensenleven altijd beschermd moet worden, wel omdat de mensen die Ayaan dwingen lijfwachten in dienst te nemen en haar naar het leven staan – geen kans mogen krijgen. Niet toegestaan kan worden dat iemand met de dood bedreigd wordt vanwege haar opvattingen, hoe stom deze ook zijn. We kunnen en moeten Ayaan bekritiseren en en haar opvattingen bestrijden en in de ergste gevallen, zoals in het geval van racisme, moeten we mensen juridisch de mond snoeren. Maar Ayaan en de haren dienen geen prooi te zijn voor de zelf-benoemde rechters annex beulen van de politieke islam.  Wij mogen niet toegeven aan brute kracht en wreedheid.

De mensen die Ayaan willen vermoorden zijn niet degenen die het werkelijk fundamenteel met haar oneens zijn. Types als Mohammed B., die slechts genoegen nam met Theo van Gogh omdat hij niet bij Ayaan Hirsi Ali kon komen, delen Ayaans walgelijke interpretatie van de islam. Waar ze in verschillen is dat de fundi’s die interpretatie positief waarderen, maar Ayaan is het met ze eens dat zij de ‘ware’ islam vertegenwoordigen. Als Ayaan gedood wordt door iemand als Mohammed B. dan is dat omdat ze een vrouw is die haar geloof achter zich heeft gelaten en een andere koers heeft gekozen. Ayaans dood zou een opsteker zijn voor islamitische fundamentalisten terwijl de christelijke jihadi’s en hun atheïstische fellow travellers als Hitchens er de zoveelste bevestiging van hun gelijk in zouden zien. En naar moslims en moslima’s die overwegen hun geloof de rug toe te keren of kritiek hebben op de interpretatie van hun religieuze ideeën door fundamentalisten zou het het signaal zijn; ‘dit gebeurt er met jullie als jullie je tegen de ‘ware’ islam keren’. Want dát, en niet Ayaans rol als propagandist voor westers imperialisme en racisme, is wat haar fundamentalistische vijanden haar verwijten. Een dode Ayaan zou nog wel eens nog meer slachtoffers tot gevolg kunnen hebben als een levende.

Zoiets zou een klap zijn voor iedereen die een heel andere polarisatie nastreeft, een die niet langs etnische en religieuze lijnen loopt maar langs de lijnen tussen arm en rijk, onderdrukker en onderdrukten – lijnen die emancipatie mogelijk maken. Er is geld genoeg voor allerlei zottigheid. Hoe sneller de Nederlandse regering zich garant stelt voor een fatsoenlijke bescherming van Ayaan hoe beter. Als de regering dat gewoon even doet, neemt de aandacht in de media voor Ayaan en haar hatespeech ook weer (een beetje) af. Dat is ook alleen maar positief.

Het volgende bericht werd gepost op de Marxmail email-lijst. Het is niet de eerste keer dat leiders van de maoïstische Communist Party of the Philippines andere linkse activisten met de dood bedreigen. Als Reyes gedood wordt zou hij ook niet de eerste zijn. De vermoedelijke huidige leider van de CPP, Jose Maria Sison, woont in Nederland en werd enige maanden geleden opgepakt na aangiften van de weduwes van twee door de CPP vermoorde voormalige rivalen van Sison. Sison ontkent de leider van de CPP te zijn maar in Filippijns links -en ver daarbuiten – is er eigenlijk niemand die er aan twijfelt dat hij dezelfde persoon is als de partij-voorzitter ‘Armando Liwanag’. Alhoewel hij ondertussen weer op vrije voeten is loopt het onderzoek tegen Sison nog.

Ric Reyes is een voormalig lid van het politiek bureau van de CPP. Tegenwoordig is hij voorzitter van de links sociaal-democratische partij Akbayan waar ook de bekende andersglobalist Walden Bello (tevens bedreigd door de CPP) lid van is. De coalitie Laban ng Masa, Gevecht van de Massa’s, is een coalitie die bestaat uit vrijwel geheel non-stalinistisch links op de Filippijnen.

De bedreigingen en moorden vinden plaats in de context van een bloedige campagne tegen links op de Filippijnen. Nog afgezien van het feit dat ze sowieso veroordeelt moeten worden en angst zaaien in de progressieve bewegingen in het straatarme land komen ze de staat ook op een andere manier goed van pas; elke keer dat er weer een linkse activist vermoord is, wijst de regering met een beschuldigende vinger naar de CPP die immers bewezen heeft er niet voor terug te schrikken linkse activsten te vermoorden. Het is dan ook dubbel hypocriet als supporters van de CPP buiten de archipel discussie over deze moorden en bedreigingen proberen te dwarsbomen met het argument dat alleen de Filippijnse staat hier belang bij zou hebben en dat ‘het de revolutinonaire beweging verzwakt’. Het is juist de CPP die daar verantwoordelijk voor is en hoe sneller zij haar beleid van bedreigingen en moord staakt, des te sneller kan de linkse beweging haar strijd weer volledig richten tegen de corrupte regering van presidente Arroyo.

Naar verluid zou Ric Reyes bezig zijn met het schrijven van een boek over zijn tijd in de CPP. Misschien is dat een reden voor de Filippijnse wanna-be Beria’s om extra hun best te doen snel van hem af te komen…

lnm.jpg
Laban ng Masa supporters herdenken 20 jaar People Power
opstand tegen de dictator Marcos

Message: 2
Date: Sun, 10 Feb 2008 14:11:18 -0500
From: “Fred Feldman” <ffeldman@bellatlantic.net>
Subject: [Marxism] Philippine Communist (and Stalinist) leader
threatens activist’s life at Australia conference
To: <marxism@lists.econ.utah.edu>,
<GreenLeft_discussion@yahoogroups.com>
Message-ID: <000001c86c18$b7dda3f0$6401a8c0@office1pc>
Content-Type: text/plain; charset=US-ASCII

The following item that John Riddell posted to the Socialist Voice list
serve some time ago strikes me as very important.
Fred Feldman

A disquieting incident regarding the Philippines occurred at the Melbourne
solidarity conference. This led Suzanne Weiss and me to make some tactful
inquiries in Toronto among those familiar with Philippines solidarity, and
what we learned was also of concern. We are no experts on the Philippines,
but we’d like to pass on what we heard and saw.

One of the most memorable aspects of the Melbourne solidarity conference was
the description by Ric Reyes, a leader of the Filipino liberation movement
Laban ng Masa (LnM–Struggle of the Masses) of how his movement had searched
for links in Latin America, with which the Philippines has strong historical
and cultural ties–looking first in Brazil and then discovering the
Venezuelan revolution. A commanding figure in the conference by virtue of
his experience, reputation, and political stature, Reyes spoke only after
the defeat of efforts by persons influenced by the Maoist Communist Party of
the Philippines (CPP) to deny him the platform.

Then, on the last day of the conference, a leaflet appeared on the
conference site entitled, “Reyes is criminally culpable for Kampanyang Ahos
[Campaign garlic]” referring to a murderous purge carried out in the CPP in
the mid-1980s. The leaflet was signed by Jose Maria Sison, the CPP’s central
leader. The leaflet demanded that Reyes surrender himself to a tribunal in
which his accusers would also be judge, jury, and executioner. Should he not
surrender, the leaflet said, he would be regarded as “an armed and dangerous
criminal suspect who is open to battle” and noted that the “arresting team
is authorized to act in self-defense” against him, “especially under the
current conditions of civil war.”

We read this as a statement that the CPP intends to send a death squad
against Reyes.

Sison’s letter was originally published in a Philippines newspaper in 2005,
and the CPP has never repudiated it. Together with it was published a
response by Reyes, which pointed out that in fact he had been already
condemned by a CPP tribunal back in 1994, when he was in jail. The same
judgment was made against three other former CPP leaders. “Of the four so
accused, I am the only one remaining alive.”

In fact, there is strong evidence that the CPP is carrying out a systematic
program of death threats and killings against prominent opponents in the
Philippines liberation movement. Substantial documentation of this has been
gathered by Pierre Rousset, a prominent figure in European solidarity
activities see HYPERLINK

All this occurs in the context that the CPP is a deeply rooted liberation
organization, the strongest in the Philippines, and is carrying on a
guerilla struggle against the government. It is the main victim of the
murderous violence that the governent deals out to all sectors of the
progressive movement. The CPP, like other Filipino progressive
organizations, deserves our solidarity against the government killings. A
few weeks ago, I supported the appeal for the releast of Sison from arrest
in the Netherlands. Laban ng Masa also defended Sison, who has now been
released.

The CPP’s death threats and killings against other progressive tendencies
disorganize and weaken its defense against government violence. For example,
Rousset’s website records that a Filipino “fair trade” organization was
recently targeted for attack by the CPP. The “fair trade” organization’s
business partner in Germany became aware that their Filipino trading partner
was in danger of being wiped out by the CPP. The German business wrote to
the Filipino president, demanding that she protect their trading partner
against CPP violence. The end result is that efforts to highlight the
government as the real source of the violence are frustrated, and the
government’s campaign to murderously suppress liberation movements is made
much easier.

CPPers, Rousset tells us, argue against discussion of their killings of
leftist activists on the grounds that making the facts known strengthens the
government’s hand and exposes CPP cadres to government reprisals. This line
of argument was the stock-in-trade of Stalinism at the peak of its murder
campaign against revolutionary cadres in the 1930s. Then as now, it is the
fratricidal killings that weakens the people’s cause, not the action of
those who call for end to such attacks.

Many victims of these attacks, Reyes among them, are accused of
responsibility for a tragedy that shook the CPP in the 1980s. The CPP was
then at the peak of its influence, with some five million adherents. During
the 1980s, the CPP was shaken by a series of party campaigns to root out
government agents in its ranks. According to Reyes, these campaigns got out
of hand and almost wrecked the party in 1988. Hundreds of loyal party
members were killed.

In the early 1990s, after substantial forces left the CPP, the party said
that leaders among those had left bore responsibility for these killings. In
fact, Reyes says, these actions been “collectively affirmed, appproved,
reaffirmed, and undertaken by the CPP leadership, national and regional.”

Today the CPP, although weakened, remains a mass organization, and is
somewhat larger in adherents and voting strength than Laban ng Masa. The CPP
enjoys substantial international support today, especially through its trade
union arm, the KMU. In Canada, it dominates Philippines solidarity work.

I had seen no evidence of the CPP in Toronto in recent years. But recently,
its supporters have been active in seeking backing from other solidarity
organizations. They are conducting educational work and recruiting among
young activists, winning them to a hardline version of Maoism that includes
support for Stalin’s and Mao’s murder campaigns against communist cadres.
(cut)

Het CIDI is boos. Boos omdat Boomerang, de verspreider van gratis kaarten op scholen, bibliotheken, universiteiten enzo een kaartje heeft uitgebracht met een foto van een vrolijk lachende Anne Frank met een kaffiyeh, ook wel een Palestijnse of PLO-sjaal genoemd.

Waarom zijn ze boos? Ten eerste vinden ze het ’stijlloze geschiedvervalsing’. Dat zou het zijn als het serieus de bedoeling was te suggeren dat Anne Frank wel eens een rode kaffiyeh droeg. Maar je moet wel heel dom zijn om die conclusie uit het beeld te trekken; het is duidelijk een montage, iets wat de kunstenaar nog eens benadrukte met de kleurverschillen.

Maar de voornaamste reden waarom het CIDI vind dat de kaart ‘niet kan’ (hun woorden) is als volgt; ‘De kaart toont het symbool van de Holocaust, gewikkeld in het symbool van de Palestijnse strijd. Daarmee stel je de twee aan elkaar gelijk en leg je de link naar joden als de vervolgers van vandaag en Palestijnen als weerloze vervolgden zoals de joden in de Tweede Wereldoorlog.’

b_blue_ladies_m.jpg
Ook verkrijgbaar als een T-shirt dus

In deze twee zinnen ligt een heel wereldbeeld besloten. Ik vraag me bijvoorbeeld af waarom het CIDI denkt dat een associatie tussen een beroemd slachtoffer van de Holocaust (zelf zou ik liever de Hebreeuwse term Shoah – vernietiging – gebruiken aangezien Holocaust is afgeleid van de Griekse naam voor een vrijwillige brandoffer, een ongepaste associatie) en de situatie van de Palestijnen meteen betekent dat de twee aan elkaar gelijk worden gesteld. De rest van het persbericht van het CIDI is een verklaring die – gedeeltelijk – terecht zou zijn als er inderdaad een = teken tussen de shoah en de onderdrukking van de Palestijnen gezet zou zijn. Maar dat gebeurt hier simpelweg niet. Anne Frank was een slachtoffer van de nazi’s. Een een symbool van de jodenvervolging. Maar als we dit symbool alleen gebruiken om deze misdaad aan te duiden verliest het zijn zeggingskracht, dan wordt het slechts een aanduiding van een inktzwarte bladzijde in de geschiedenis, een die zich in die vorm niet zal herhalen.

Op een heel basic niveau zijn historische gebeurtenissen immers uniek, altijd anders. Letterlijk opgevat herhaalt de geschiedenis zich nooit. We kunnen slechts iets leren van de geschiedenis als we gebeurtenissen veralgemeniseren, als we de elementen van een historische gebeurtenis die uniek zijn aan een bepaalde periode loskoppelen van die elementen die we nog steeds tegenkomen. Anne Frank was een uniek persoon, vermoord in 1945. Anne Frank als symbool is iets anders dan deze persoon, juist omdat in het symbool unieke kenmerken gecombineerd zijn met universele begrippen. Begrippen als onschuld, misdaad, onderdrukking en de wil om desondanks te leven.

En daarom is de combinatie van de symbolische Anne Frank en de symbolische sjaal in mjin ogen ook helemaal niet ongepast. Want het zijn allemaal elementen die terugkomen in de strijd voor Palestijnse zelfbeschikking.

Maar Anne Frank stierf wel in een bepaalde historische misdaad en het karakter van deze misdaad is natuurlijk waarom deze afbeelding mensen boos maakt. Een aantal elementaire kenmerken van de shoah zijn inderdaad uniek aan deze gebeurtenis en aan deze alleen. Het betrof een poging om een bepaalde bevolkingsgroep fysiek, tot op de laatste persoon uit te roeien. De geschiedenis is vol met gruweldaden maar dan nog zijn dit soort misdaden zeldzaam. Wat eenmalig was aan de shoah was de combinatie van volstrekte irrationaliteit – het moorddadige antisemitisme van de Nazi’s – met een langdurige, efficiente deel-rationaliteit; de kampen, de grootschalige transporten, de gaskamers. Daarom is het onjuist om zomaar alles met de shoah te vergelijken. Als we ons niet bewust zijn van het uitzonderlijke karakter van de shoah, dan zijn we ons niet bewust van de volle reikwijdte van deze misdaad. Ongepaste vergelijkingen met de shoah zelf moeten vermeden worden. Daarom ben ik er ook op tegen om de Israëlische staat met de Nazi’s te vergelijken of de Palestijnse vluchtelingenkampen met concentratiekampen. Had Israël daadwerkelijk eenzelfde beleid gevoerd tegenover de Palestijnen als de nazi’s ten opzichte van joden, dan waren er nu geen Palestijnen meer.

De twee zijn onvergelijkbaar. Maar het getuigt ook van een moreel bankroet om een rangorde in lijden op te stellen, om te zeggen dat de shoah of bijvoorbeeld de etnische zuiveringen in Darfur nu, ‘erger’ zijn en solidariteit met de Palestijnen overbodig.

Er is nog iets dat me stoort aan de zin ‘… en leg je de link naar joden als de vervolgers van vandaag en Palestijnen als weerloze vervolgden zoals de joden in de Tweede Wereldoorlog.’ Niet alleen gaat het CIDI er onterecht vanuit dat Anne Frank enkel en alleen de shoah zelf kan symboliseren en deze dus gelijk gesteld wordt met de situatie van de Palestijnen. Ze gaan er ook vanuit dat de makers een tweede misstap begaan en de hoofdverantwoordelijke voor wat het CIDI nogal eufemistisch ‘de zware situatie van de Palestijnen’ noemt, de Israëlische staat namelijk, gelijk stellen aan joden. Dat zou een klassieke antisemitische gelijkstelling zijn en het is nogal wat om zonder goede reden iemand er van te beschuldigen dit te doen.

De kunstenaar zelf heeft ondertussen een heel andere intentie dan die welke het CIDI hem toedicht, hij wilde een symbool van verzoening tussen culturen maken. Dat is niet de boodschap die ik zelf uit de afbeelding haalde – zijn visie impliceert dat er sprake is van een ‘botsing van culturen’ die zich met elkaar moeten verzoenen. Maar de oorzaak van de gevechten en de onderdrukking ligt in het feit dat de Israëlische staat mensen onderdrukt, hun rechten niet erkent en als tweede-rangs behandelt, in zowel de gebieden die na 1967 bezet werden als in Israël zelf. Het is logisch dat mensen in die omstandigheden naar een eigen staat streven, een waarin ze wel als volwaardige mensen behandelt worden. Dat de Palestijnse natie die nu naar een dergelijke staat streeft voor een deel het produkt is van onderdrukking doet niets af aan de geldigheid van dit streven. Integendeel, zoals Jean Amery eens zei over de samenhorigheid van joden na de shoah, juist onderdrukking creeert ’solidariteit van de verachten en beledigden’. Dat het CIDI nog eens benadrukt dat Israël een ‘joodse staat’ moet zijn laat zien dat ze niet bereid zijn deze grondoorzaak van het conflict te veranderen.

palestinian_kids.jpg

Het mooie aan kunst is dat de toeschouwer er een eigen interpretatie eraan kan geven – het CIDI en ook de kunstenaar zelf hebben daar geen monopolie op. Ik vind het een afbeelding van solidariteit. En ik denk graag dat als Anne Frank nog zou leven, ze op 23 februari haar rode kaffiyeh om zou knopen om in Den Haag te gaan demonstreren tegen onderdrukking en voor vrijheid voor de Palestijnen.

De VVD in Rotterdam wil criminelen aan de schandpaal nagelen Als het aan de VVD ligt worden de beelden van herrieschoppende Rotterdammers standaard op het internet gezet. Een grote meerderheid van de Rotterdamse gemeenteraad lijkt het voorstel te steunen. De PvdA van Peter van Heemst – die met Leefbaar Rotterdam de strijd voert om de stem van de bange en boze kiezer – wil nog een stapje verder gaan en lokale zendtijd kopen om beelden van crimineeltjes/herrieschoppers/mensen die zich misdragen uit te zenden.

‘Wie zich misdraagt verspeelt zijn recht op privacy’, stelt PvdA-leider Van Heemst. Een opmerkelijke opmerking! Deze aanpak lijkt mij op zeer gespannen voet staan met de normen van onze rechtstaat. In Nederland verliezen mensen niet zomaar het recht op privacy, dacht ik. Natuurlijk, met de rechtstaat wordt wel meer gemarchandeerd. Maar Van Heemst en VVD-leider Van der Waard zoeken hier in alle openheid de grenzen van de rechtstaat op. Om die grenzen vervolgens volstrekt te negeren en dus te overschrijden.

Wat is er aan de hand? Veel politici beweren niet de juiste tools in handen te hebben om de ‘grote problemen van deze tijd’ aan te pakken. Die neiging overal het wapen van de repressie hard te willen inzetten hangt nauw samen met het steeds verder naar rechts opschuiven van het discours over veiligheid, integratie en de positie van de ‘onderklasse’. Waren het eerst vooral de rechtspopulisten van Leefbaar en de PVV die riepen dat beleid gericht op preventie en kansen bieden ’soft’ was, nu loopt ook de Partij van de Arbeid voortdurend met de wapenstok te zwaaien. Het idee dat we als samenleving een collectieve verantwoordelijkheid dragen voor het voorkomen van crimineel en ontspoord gedrag en voor het bieden van kansen en perspectieven aan mensen, is in de marge van het politieke vertoog terecht gekomen. Mensen met ‘antisociaal’ gedrag moeten hard en repressief worden aangepakt en al het andere is gelul. Zorgen voor werk en perspectief? Dat is het belonen van crimineel en asociaal gedrag! Wie de voortdurende uitbreiding van bevoegdheden van overheid en politie niet ziet zitten, is van de linkse kerk.

Op het sociale vlak is de verantwoordelijkheid van ‘de overheid’ geminimaliseerd. Dat past goed in het neoliberale gedachtengoed dat in een stad als Rotterdam op heel brede steun kan rekenen. Tegelijkertijd wordt op het repressieve vlak de rol van de overheid steeds groter. Rotterdam loopt voorop. Interventieteams die op intimiderende en overrompelende manier bij mensen achter de voordeur komen; nieuwe maatregelen om jongeren op de huid te zitten; invoering van ‘FF Kappe’, naar model van de Engelse Antisocial Behaviour Orders (ASBO’s), die gedrag strafbaar maken dat voor anderen gewoon legaal is. En ga zo maar door. De overheid is steeds op zoek naar mogelijkheden om de grenzen van de rechtsstaat op te rekken. De voorstellen van VVD en PvdA voor het in beeld brengen van mensen die betrokken zouden zijn geweest bij opstootjes of criminele activiteiten, komen dus niet uit de lucht vallen.

Het zijn wel heel slechte en gevaarlijke voorstellen. De uitbreiding van bevoegdheden van de overheid op het repressieve vlak treft in toenemende mate de hele samenleving. Niet alleen de rechten van ‘verdachten’ worden met voeten getreden; ook omstanders en toevallige passanten worden door allerlei repressieve, de privacy schendende maatregelen getroffen. Wie in een arme wijk woont kan overvallen worden door een interventieteam dat bewoners als criminelen behandelt. Wie jong is en met vrienden op straat hangt wordt weggepest door de ‘mosquito’ of krijgt het etiket antisociaal opgeplakt. Wie toevallig getuige is van een omstootje is straks als dader op de Rotterdam televisie te zien.

Het Rotterdamse PvdA-GroenLinks-CDA-VVD-college zet op bijna alle vlakken keihard het beleid van het vorige rechtspopulistische Leefbaar-college voort. Het is de vraag wanneer progressieve krachten in de PvdA en GroenLinks tegen de repressiewaanzin durven opstaan. De SP kiest als enige duidelijk momenteel voor een duidelijke koers: tegen ineffectieve maatregelen die vooral symbolische ‘waarde’ hebben en de grenzen van wat de overheid mag steeds verder doen opschuiven.

(Paul Mepschen)

Het laatste stuk van het interview met Bensaïd.

Wat is de invloed van de hedendaagse marxistische theorie op sociale bewegingen? Hoe beoordeel je het verschijnsel dat sociale bewegingen, in de brede betekenis van het woord, beter in staat lijken te zijn dan politieke bewegingen om anti-kapitalistisch verzet te organiseren? Wat is volgens jouw de toekomst van partijen op zich en als delen van een internationale organisatie?

Ik denk dat in de harde kern van het marxisme, in de kritiek op de politieke economie en de accumulatie van kapitaal, het beste middel ligt om de liberale globalisering en de gevolgen ervan te begrijpen. Zoals ik al gezegd heb, de actualiteit hiervan is die van het kapitaal. De meerderheid van de sociale bewegingen is er door beïnvloed, ook als ze zichzelf er niet van bewust zijn. De historicus Fernard Braudel wees er eens op hoe zeer de categorieën van de marxistische kritiek ons wereldbeeld hebben doordrongen, zelfs onder tegenstanders van het marxisme. En de filosoof Jacques Derrida vatte de relevantie van marxisme samen toen hij in 1993 – niet bepaald een goede tijd voor marxisme! – verklaarde dat ‘er zonder Marx geen toekomst is’. Contra of pro-Marx, maar niet zonder hem! Zijn theorie biedt niet het laatste woord voor het begrijpen van hedendaagse samenlevingen maar ze blijft een verplicht ingredient daarvoor. De paradox is dat de liberale ideologen die Marx graag behandelen als een ‘dode hond’ en hem verwijten gedateerd, verouderd, verjaard te zijn – dat deze mensen wel bereid zijn terug te keren naar de klassieke economen, de politieke filosofie van de zeventiende eeuw of naar Alexis de Tocqueville. Marx was natuurlijk een kind van zijn tijd. Hij deelde enkele van de illusies van zijn tijd, illusies in bijvoorbeeld de wetenschap en de vooruitgang. Maar door zijn keuze van het object van zijn kritiek – te weten de accumulatie van het kapitaal en de logica hiervan – oversteeg hij zijn eigen tijd en anticipeerde hij de onze. Hierin blijft hij onze tijdgenoot, een stuk vitaler en meer stimulerend dan allerlei pseudo-nieuwigheiden die een dag later al verouderd zijn.

Het is noodzakelijk om het eens te worden over wat sociale bewegingen, ‘in de brede betekenis van het woord’, zijn. Waarschijnlijk staan we na een eeuw van verschrikkelijke tragedies en nederlagenaan het begin van een theoretische en praktische reconstructie van emancipatie-bewegingen. Soms lijkt het wel alsof we helemaal opnieuw bij het begin moeten beginnen. Een partij als de Braziliaanse PT, die opkwam in de vroege jaren tachtig tijdens de val van de militaire dictatuur, het product van de snelle industrialisering in de jaren zeventig, zou vergeleken kunnen worden met de grote Duitse sociaal-democratische partij van voor 1914. Het had een vergelijkbaar massa-karakter en een vergelijkbare ideologie. Maar we zijn in het begin van de 21ste eeuw, de 20ste eeuw heeft wel degelijk plaatsgevonden en kan niet zomaar genegeerd worden. De PT heeft in minder dan een kwart eeuw, in de hedendaagse context van machtsverhoudingen, de plaats van Latijns-Amerika in de re-organisering van imperialisme et cetera, een versneld proces van bureaucratisering doorgemaakt.

In het begin lijken sociale bewegingen meer effectief, meer concreet te zijn in het voeren van oppositie, het voeren van defensieve gevechten. Hun opkomst markeert het begin van een cyclus van ervaringen die een voorwaarde zijn voor al het andere. Maar net zoals Marx in zijn tijd een ‘politieke illusie’ bekritiseerde, namelijk het idee dat het verwerven van burgerrechten en democratische vrijheden de laatste stap in menselijke bevrijding is, zo kunnen we een ’sociale illusie’ waarnemen; het idee dat bij het ontbreken van een politiek alternatief, sociaal verzet tegen neoliberalisme onze limiet is. Dat is de ‘linkse’ versie van de ‘end of history’ thesis. De crisis van kapitalisme en de risico’s die het met zich mee brengt voor de toekomst van de planeet en de menselijke soort zijn echter van dien aard dat een alternatief uiterst urgent is. Het is een kwestie van het uitzetten van een project, een politieke strategie, in een context die gezet wordt door bepaalde machtsverhoudingen. Als we niet serieus opkomen voor een degelijk alternatief en ons plaats daarvan tevreden mee stellen druk uit te oefenen op gematigd links, proberen een links dat steeds minder links wordt bij te sturen, dan rest ons niks anders dan demoralisatie. Om een werkelijk alternatief te vormen – en dit wordt een langdurig werk want we moeten opnieuw een steile helling beklimmen – hebben we geduld, toewijding en overtuiging zonder sektarisme nodig. Anders vernietigen we onszelf in ondernemingen die onder het mom van realisme niet verder kijken dan de volgende dag en door de opeenstapeling van teleurstellingen die daaruit zal volgen.

Wat betreft de reconstructie van een internationale beweging, dat is een veel grote vraag. Sommige mensen vergelijken de huidige andersglobaliseringsbeweging, met wereldwijde sociale fora of per werelddeel, met het begin van de Eerste Internationale; een zeer brede ontmoeting van sociale bewegingen en politieke stromingen. Daar zit wat in. En de kapitalistische globalisering – en dit is de positieve kant ervan – dwingt tot een internationale samenwerking van bewegingen, zoals de wereldtentoonstellingen van de 19de eeuw aanleiding gaven tot de bijeenkomsten waar de Eerste Internationale uit voortkwam. Maar eens te meer maakt de geschiedenis van de twintigste eeuw het verschil. De splitsingen en de politieke stromingen die het product zijn van deze geschiedenis zullen niet zomaar verdwijnen. We kunnen niet helemaal opnieuw op een blanco bladzijde beginnen. Daarom zijn bijeenkomsten als de Fora positief en noodzakelijk. Niemand kan voorspellen wat de uitkomst zal zijn, dit hangt af van politieke strijd, van ontwikkelingen in Latijns-Amerika, het Midden-Oosten. De eerste stap van reconstructie is nog lang niet achter ons. Er zijn mogelijkheden om dit proces van bijeenkomsten uit te breiden in Azië, in Afrika. Maar een voorwaarde en een bewijs van politieke volwassenheid zal het vermogen om eenheid in de praktijk te bewaren en zelfs nog uit te breiden, zonder het politieke debat te limiteren. Het is duidelijk dat een eerste fase van verzet, wat ik een ‘utopisch moment’ noem in analogie met de socialistische beweging die geboren werd in de jaren 1830-1840, ten einde komt. De slogan ‘change the world without taking power’ raakte na een zekere weerklank gevonden te hebben, vooral in Latijns-Amerika, al snel verouderd. Het is moeilijk om zich een sociaal forum in Latijns-Amerika voor te stellen waar de kwestie van politieke oriëntatie vermeden wordt, waar niet de balans wordt opgemaakt van, en vergeleken tussen, ervaringen in Brazilië, Venezuela, Bolivia en…Cuba! En het is moeilijk om zich een Europees Sociaal Forum voor te stellen waar niet gesproken wordt over een alternatief voor de liberale en imperialistische Europese Unie.

hugo_chavez_fidel_castro_evo_morales.jpg
Changing the world by taking power: Chávez, Castro, Morales

In dit perspectief is het heel goed mogelijk, en een verrijking, om zowel deel te nemen aan deze brede bijeenkomsten en tegelijkertijd een project met zijn eigen politieke traditie en organisatie te hebben. Dat is zelfs een voorwaarde voor duidelijkheid en respect voor verenigde bewegingen. De stromingen die niet hun eigen politieke identiteit uitdragen zijn de meest manipulatieve. Het klopt wat een Franse filosoof zei, dat er geen blanco bladzijdes omgeslagen worden en we altijd ‘opnieuw beginnen in een omgeving’. We moeten open staan voor het nieuwe zonder de band met gedane ervaringen te verliezen.

Kan er een marxistische filosofie bestaan in een burgerlijke universiteit? Kan je ons iets vertellen over jouw eigen ervaringen? Hoe kan de bourgeoisie marxisme tolereren in een van haar ideologische apparaten, de universiteit?

Dat is een kwestie van de machtsverhoudingen in de samenleving. De school en de universiteit zijn niet geïsoleerd van sociale tegenstellingen. Dat is trouwens een risico van de formule ‘ideologisch staatsapparaat‘; het wekt de indruk dat het slechts om een stuk gereedschap van burgerlijke overheersing gaat. In de realiteit vervullen de school en de universiteit echter een dubbele functie; van reproductie van de heersende sociale orde, natuurlijk, maar ook die van transmissie en ontwikkeling van kennis. Deze instituten zijn daarom doorschoten van machtsstrijd. Voor en enige tijd na 1968 had marxisme aanzienlijke invloed op Franse universiteiten, alhoewel we dit ook niet hoeven te overschatten of te denken dat er een ‘gouden eeuw van het marxisme’ was. Er bestonden aanzienlijke gelegenheden voor experimenten in pedagogiek, voor vrijheid in onderwijs. Maar dergelijke verworvenheden zijn niet onomkeerbaar. Het is duidelijk te zien dat met het liberale contra-offensief van de jaren tachtig de academische normaliteit en orde opnieuw hersteld werden. Dat is te zien in de leerprogramma’s, de toetsmethoden en in het budget management van de universiteiten. Maar er is wel iets bewaard gebleven. Ik heb bijvoorbeeld volledige vrijheid om elk jaar mijn lesprogramma samen te stellen. Dit jaar geef ik weer, voor het eerst in zo’n vijftien jaar, een cursus over lezingen van Het Kapitaal, een andere over de ‘war on terror’, een over filosofieën van globalisering en van internationaal rechts. Het probleem is dat de ‘marxistische generatie van de jaren 60′ – de term is een simplificatie want het ging altijd slechts om een aanzienlijke minderheid – nu zo langzamerhand het podium begint te verlaten. De nieuwe generaties zijn opgegroeid met de kritische ideeën van Foucault, Bourdieu, Deleuze, allemaal waardevolle denkers, maar de overdracht van de marxistische erfenis wordt steeds beperkter. Het is duidelijk dat de relatieve vrijheid op universiteiten afhangt van de sociale strijd die zich buiten de muren van school of universiteit afspeelt. Zodra de machtsverhoudingen slechter worden, zodra de sociale bewegingen nederlagen lijden, kun je de gevolgen voelen in de universiteit. Maar dit is een gevecht dat gevoerd moet worden. Binnen de de universiteit, en daarbuiten want er is altijd nog de mogelijkheid van het vormen van officieuze kanalen van educatie voor het volk.

In de jaren negentig raakte het idee dat de tegenstelling tussen arbeid en kapitaal niet langer het hoofd conflict in hedendaagse samenlevingen is, wijd verspreid. Ga jij akkoord met dat idee?

Er zijn verschillende manieren om deze vraag te benaderen. De ontvangen wijsheid haald vaak een sociologisch argument aan om te betogen dat in de ontwikkelde landen het industriele proletariaat een relatief steeds kleiner deel van de bevolking uitmaakt. Deze krimp is reëel: in Frankrijk was het een terugloop van 33 procent naar 25 procent. Maar dat is nog steeds een kwart van de werkende bevolking en op wereldschaal is er een groei van het stedelijke proletariaat te zien. Het idee van een sterke afname, of zelfs het verdwijnen, van het proletariaat is vaak het gevolg van een beperkte, zelfs ‘arbeideristische’, interpretatie van sociale klassen, gebaseerd op sociologische categorieën. Maar bij Marx vinden we geen positivistische sociologische opvatting van klassen, maar één gebaseerd op sociale dynamiek, klassen bestaan niet buiten strijd. Als we kijken naar kwesties als het eigendom van de productiemiddelen, de vorm en omvang van salarissen, de plaats in de arbeidsdeling, dan is de grote meerderheid van de werknemers in de tertiaire sector – en dit zijn meer en meer vrouwen – proletariërs in de betekenis die Marx voor ogen had. In 1848 was het proletariaat waarover hij schreef in De klassenstrijd in Frankrijk niet industrieel, ze hadden meer gemeen met met handwerkslieden in kleine werkplaatsen. Men verwart dus vaak een verzwakking van de organisatie en het klassenbewustzijn – gevolg van sociale en politieke nederlagen – met een onomkeerbare afname van de klassenstrijd. Dit gezegd hebbende is het noodzakelijk om de grootst mogelijke aandacht te geven aan de obstakels die de groei van deze organisatie en dit bewustzijn verhinderen; privatisering en individualisering van het sociale leven, flexibilisering van werk, individualisering van de werktijden en loonvormen, de dreiging van dakloosheid en onzeker werk, de-centralisering van de industrie en veranderingen van de organisatie van productie.

De verhouding arbeid-kapitaal blijft niettemin centraal in hedendaagse samenlevingen. Ik gebruik echter niet de term ‘hoofd conflict’ omdat deze er toe neigt andere tegenstellingen te reduceren tot secundaire belang. Veeleer bestaat er hele reeks tegenstellingen die niet in dezelfde tijdsloop liggen, niet in hetzelfde historische tijdvak plaatsvinden maar die wel nauw onderling verweven zijn door de dominante logica van kapitaal. In de term van Althusser zijn ze ‘overgedetermineerd’ door kapitaal. De verhoudingen tussen genders en seksen, tussen de natuur en de menselijke samenleving, tussen het individu en het collectief zijn voorbeelden. Het werkelijke probleem is hoe we deze tegenstellingen vorm kunnen geven. Waarom komen vakbonden, feministische bewegingen, organisaties van milieu-activisten en culturele bewegingen samen in de Sociale Fora? Dat is omdat kapitaal en de algemene commercialisering van sociale banden waartoe ze leidt zelf de verenigende factor van is. Maar deze samenkomst moet gebeuren met respect voor de specifieke kenmerken van de verschillende bewegingen.

Trouwens, er ligt ook een element van ideologische strijd in deze kwestie. Als we het idee van sommige sociologen, zoals Bourdieu, accepteren dat sociale verhoudingen niet slechts gebaseerd zijn op de natuurlijke staat maar geconstrueerd worden door representaties dan moeten deze representaties nog steeds ergens op gebaseerd zijn. Er zijn goede theoretische en praktische redenen om het sociale veld in termen van klassen te representeren.

Het is trouwens verwonderlijk dat men het vaak heeft over het einde of voortbestaan van het proletariaat maar nooit over dat van de bourgeoisie of de werkgevers; het is genoeg om te kijken hoe de winsten en rendementen gedistribueerd worden om het bestaan van deze groepen vast te stellen! Er is een duidelijk belang om het actuele belang van klassenstrijd te benadrukken; het is een strijd die solidariteit voorbij verschillen van ras, natie, religie et cetera mogelijk maakt. Zij die niet langer in termen van klassenstrijd willen spreken bieden in plaats daarvan de strijd tussen stammen en etnische groepen, godsdienstoorlogen, gevechten tussen verschillende gemeenschappen. En dit is een enorme stap terug, een die treurig genoeg al zijn effect heeft in de huidige wereld. De internationalisering van klassenstrijd is dus de materiële – en niet slechts de morele – grondslag voor een internationalistisch antwoord van de onderdrukten op de wereldwijde logica van de markt.