In de jaren negentig raakte het idee dat de tegenstelling tussen arbeid en kapitaal niet langer het hoofd conflict in hedendaagse samenlevingen is, wijd verspreid. Ga jij akkoord met dat idee?
Er zijn verschillende manieren om deze vraag te benaderen. De ontvangen wijsheid haald vaak een sociologisch argument aan om te betogen dat in de ontwikkelde landen het industriele proletariaat een relatief steeds kleiner deel van de bevolking uitmaakt. Deze krimp is reëel: in Frankrijk was het een terugloop van 33 procent naar 25 procent. Maar dat is nog steeds een kwart van de werkende bevolking en op wereldschaal is er een groei van het stedelijke proletariaat te zien. Het idee van een sterke afname, of zelfs het verdwijnen, van het proletariaat is vaak het gevolg van een beperkte, zelfs ‘arbeideristische’, interpretatie van sociale klassen, gebaseerd op sociologische categorieën. Maar bij Marx vinden we geen positivistische sociologische opvatting van klassen, maar één gebaseerd op sociale dynamiek, klassen bestaan niet buiten strijd. Als we kijken naar kwesties als het eigendom van de productiemiddelen, de vorm en omvang van salarissen, de plaats in de arbeidsdeling, dan is de grote meerderheid van de werknemers in de tertiaire sector – en dit zijn meer en meer vrouwen – proletariërs in de betekenis die Marx voor ogen had. In 1848 was het proletariaat waarover hij schreef in De klassenstrijd in Frankrijk niet industrieel, ze hadden meer gemeen met met handwerkslieden in kleine werkplaatsen. Men verwart dus vaak een verzwakking van de organisatie en het klassenbewustzijn – gevolg van sociale en politieke nederlagen – met een onomkeerbare afname van de klassenstrijd. Dit gezegd hebbende is het noodzakelijk om de grootst mogelijke aandacht te geven aan de obstakels die de groei van deze organisatie en dit bewustzijn verhinderen; privatisering en individualisering van het sociale leven, flexibilisering van werk, individualisering van de werktijden en loonvormen, de dreiging van dakloosheid en onzeker werk, de-centralisering van de industrie en veranderingen van de organisatie van productie.
De verhouding arbeid-kapitaal blijft niettemin centraal in hedendaagse samenlevingen. Ik gebruik echter niet de term ‘hoofd conflict’ omdat deze er toe neigt andere tegenstellingen te reduceren tot secundaire belang. Veeleer bestaat er hele reeks tegenstellingen die niet in dezelfde tijdsloop liggen, niet in hetzelfde historische tijdvak plaatsvinden maar die wel nauw onderling verweven zijn door de dominante logica van kapitaal. In de term van Althusser zijn ze ‘overgedetermineerd’ door kapitaal. De verhoudingen tussen genders en seksen, tussen de natuur en de menselijke samenleving, tussen het individu en het collectief zijn voorbeelden. Het werkelijke probleem is hoe we deze tegenstellingen vorm kunnen geven. Waarom komen vakbonden, feministische bewegingen, organisaties van milieu-activisten en culturele bewegingen samen in de Sociale Fora? Dat is omdat kapitaal en de algemene commercialisering van sociale banden waartoe ze leidt zelf de verenigende factor van is. Maar deze samenkomst moet gebeuren met respect voor de specifieke kenmerken van de verschillende bewegingen.
Trouwens, er ligt ook een element van ideologische strijd in deze kwestie. Als we het idee van sommige sociologen, zoals Bourdieu, accepteren dat sociale verhoudingen niet slechts gebaseerd zijn op de natuurlijke staat maar geconstrueerd worden door representaties dan moeten deze representaties nog steeds ergens op gebaseerd zijn. Er zijn goede theoretische en praktische redenen om het sociale veld in termen van klassen te representeren.
Het is trouwens verwonderlijk dat men het vaak heeft over het einde of voortbestaan van het proletariaat maar nooit over dat van de bourgeoisie of de werkgevers; het is genoeg om te kijken hoe de winsten en rendementen gedistribueerd worden om het bestaan van deze groepen vast te stellen! Er is een duidelijk belang om het actuele belang van klassenstrijd te benadrukken; het is een strijd die solidariteit voorbij verschillen van ras, natie, religie et cetera mogelijk maakt. Zij die niet langer in termen van klassenstrijd willen spreken bieden in plaats daarvan de strijd tussen stammen en etnische groepen, godsdienstoorlogen, gevechten tussen verschillende gemeenschappen. En dit is een enorme stap terug, een die treurig genoeg al zijn effect heeft in de huidige wereld. De internationalisering van klassenstrijd is dus de materiële – en niet slechts de morele – grondslag voor een internationalistisch antwoord van de onderdrukten op de wereldwijde logica van de markt.