12 november vond in de Lux in Nijmegen de Nederlandse voorpremière plaats van Der Baader Meinhof Komplex, een film over de de geschiedenis van de Rote Armee Fraktion vanaf hun begin in de Duitse studentenbeweging eind jaren zestig tot de ‘Duitse Herfst’ van 1977. Een RAF commando ontvoerde in dat jaar de voorzitter van de Duitse werkgeversorganisatie en voormalige SS officier Hanns-Martin Schleyer en in oktober kaapten leden van het Palestijnse PFLP een vliegtuig. In beide gevallen werd onder andere de vrijlating van RAF leden Jean Carl Raspe, Gudrun Ensslin en Andres Baader en Irmgard Möller geeist. Na landing in Mogadishu werd het vliegtuig bestormd door de Duitse commando’s waarbij 3 van de 4 gijzelnemers omkwamen. In de nacht hierop werden Baader en Ensslin dood aangetroffen in hun cel, Raspe overleed in het ziekenhuis en Irmgard Möller was zwaar gewond. De film eindigt 18 oktober, toen zijn ontvoerders Schleyer ombrachten.
De film is gebaseerd op een van de meest gedetailleerde studies van de vroege RAF en zit vol met historische details. De film is gevuld met anekdotes, letterlijke uitspraken van betrokken personen en citaten uit RAF manifesten. Helaas is dat niet meer dan aankleding voor een nogal zwak uitgewerkt verhaal, een poging om historisch correct over te komen in een film die grotendeels voorbijgaat aan de geschiedenis en context van de Duitse studentenbeweging en RAF.
De golf van opstand in 1968 en het geweld dat daarop volgde word in Der Baader Meinhof Komplex afgedaan met een paar korte nieuwsclips – het bloedbad in Mexico City, de Mei opstand in Parijs, de moord op Martin Luther King, Vietnam – die hoogstens een ‘oh ja’ reactie oproepen maar niet duidelijk maken dat het milieu waaruit later de RAF voortkwam zich zag als de bondgenoot van de bevrijdingsbewegingen in de Derde Wereld. Het geweld tegen de protestbewegingen in Duitsland word in het begin van de film wel indringend weergegeven, bijvoorbeeld de aanval op demonstranten die tegen het bezoek van de Perzische sjah demonstreerden of de aanslag op Rudi Dutschke. Ook de scene waarin het Vietnam congres in Berlijn aan bod komt is mooi. Maar bijvoorbeeld het nazistische verleden en de angst voor een nieuw fascisme – één van de grote drijfveren van de RAF – wordt niet besproken. En zodra het schieten begint verdwijnt de politieke motivatie helemaal naar de achtergrond. Ulrike Meinhof komt er nog het beste vanaf in de film als een idealiste die er eigenlijk niet helemaal bij hoort en vooral gemotiveerd word door schuldgevoel over haar comfortabele leven en de drang om te bewijzen dat ze meer kan dan stukjes schrijven. In haar biografie van Mienhof heeft Jutta Ditfuhrt het terugkerende beeld van Meinhof als verblind en in de war geprobeerd recht te zetten.
Gudrun Ensslin is een stereotype koelbloedige moordenaar die als het over Baader gaat zich opeens gedraagt als een verliefde puber. Baader is vooral een seksistische en racistische klootzak met teveel testosteron. Nou was Baader volgens mensen die hem gekend hebben ook een eikel, iemand die vrouwen inderdaad regelmatig ‘Fotzen’ noemde maar in deze film is hij een karikatuur en ook de andere karakters blijven van bordkarton; het is een stelletje niet al te slimme lefgozers die met elkaar communiceren in het betonnen proza van de RAF manifesten. Wat wel goed zijn uitgewerkt, zijn de geweld scènes – qua acties hoeft de film niet onder te doen voor een ‘echte Hollywood film’.
Interessanter dan de film was de discussie na afloop met Karl-Heinz Dellwo, een voormalig RAF-lid. Er was van tevoren nogal wat te doen geweest over zijn aanwezigheid maar de avond zelf bleef alles rustig. Dellwo noemde het gebrek aan politieke context in de film ‘ergerlijk’. De politiek is in de film iets wat maar af en toe zichtbaar is in nieuwsberichten op de televisie. Slechts een ontwikkeling krijgt explicieter aandacht en dat is het kanselierschap van Willy Brandt en zijn politiek van meer ‘Demokratie wagen’. Volgens de film haalde dat de angel uit de protestbeweging en waren daarna de meeste demonstranten tevreden. Onzin, volgens Dellwo. In de film is de verachting van de Palestijnse guerrilla’s voor Baader duidelijk maar waarom, zo vroeg Dellwo, was het dan dezelfde Palestijnse groepering die zoveel moeite deed hem vrij te krijgen? Misschien was de werkelijkheid toch wat gecompliceerder.
Natuurlijk werd Dellwo gevraagd waarom hij juist voor de RAF koos. In zijn beleving waren er in de jaren zeventig drie opties open voor hem – je aansluiten bij degenen die aan de lange mars door de instituten wilden beginnen maar in plaats van de instituten te veranderen zelf door deze veranderden. Of je bij een van ‘K-gruppen’ aansluiten en een ‘echte’ communistische partij met aanhang onder de arbeidersklasse op bouwen, iets waar hij ook geen perspectief in zag. Of, zoals Dellwo zei, niet van andere mensen zoals guerrilla’s in de Derde Wereld of een toekomstige arbeidersklasse verwachten dat ze de revolutie uitvechten maar daar zelf hier en nu mee beginnen. Opvallend was hoe sterk morele, en niet zozeer politieke, beweegredenen voor Dellwo zijn geweest; zelf gewapende strijd beginnen was voor hem de beste manier om een scheidslijn te trekken tussen zichzelf en een onrechtvaardige, met oud-nazi’s doorschoten maatschappij.
Natuurlijk faalde aanpak van de RAF ook jammerlijk – en terecht ook volgens Dellwo. Zonder per definitie afstand te doen van geweld wees hij er op hoe het geweld van de RAF een eigen dynamiek had en steeds meer een doel op zich in een confrontatie met de staat. De RAF had volgens Dellwo veel te veel illusies in de bewegingen in Latijns-Amerika, Afrika, Azië en het Midden-Oosten waar ze zich mee verbonden voelde. Maar in plaats van een nieuw socialisme voort te brengen, zoals de RAF hoopte, creëerden deze bewegingen als ze aan de macht kwamen slechts vaak nieuwe natie-staten met veel van de oude onrechtvaardigheden nog intact. In de jaren zeventig voelden Dellwo en zijn kameraden zich deel van een wereldwijde beweging, een die niet langer bestaat. In dat opzicht was de huidige situatie slechter dan toen hij politiek actief werd, zo zei hij. Maar op de vraag of hij nog steeds in de revolutie geloofde antwoordde hij ‘ja natuurlijk; revoluties zijn er in de hele geschiedenis geweest, waarom zouden die dan opeens nooit meer voorkomen?’
Ik heb weinig sympathie voor de methodes en veel van de ideologie van de RAF maar Dellwo slaagde er wat mij betreft wel in uit te leggen waarom hij zelf geen andere keuze dan zich er bij aan te sluiten. De film zelf? Ach, wellicht leuker dan de nieuwe James Bond film maar niet veel meer dan dat.
De Revolutionär Sozialistischen Organisation over de film: Der Frage nach den Hintergründen der RAF Geschichte wird ausgelassen und das wohl nicht aus reiner Dummheit. Die Geschichte soll neu geschrieben und ein gewünschtes Bild in die Köpfe der Jugendlichen gepflanzt werden. “…in diesem Fall habe ich an meine Söhne gedacht, die heute 20 und 21 sind und als Amerikaner von Baader und Meinhof gar nichts wissen. Ihnen wollte ich diese Geschichte erzählen….“, so der Geschichtenerzähler und Regisseur Uli Edel. Dass seine „Geschichte“ durch die Instrumente der Faktenunterschlagung und einseitigen Betrachtungsweise zu einem Lügenmärchen mutiert, stört ihn dabei offenbar nicht. Bei der RAF handle es sich um ein paar gewaltbereite Spinner, die sich “in eine wahnhafte Vorstellung verrannt haben: dass die Gesellschaft eine faschistische ist, dass die Bundesrepublik sich vom Dritten Reich nur marginal unterscheidet. Sie begeben sich in eine Situation, in der sich künstlich ein Ausnahmezustand schaffen lässt. Man fühlt sich durch die kriegsmäßige Situation legitimiert und kommt sich dabei ziemlich großartig vor…“, so Aust. Aust psychologisiert, wo er politisch sein müsste.