november 2008


12 november vond in de Lux in Nijmegen de Nederlandse voorpremière plaats van  Der Baader Meinhof Komplex, een film over de de geschiedenis van de Rote Armee Fraktion vanaf hun begin in de Duitse studentenbeweging eind jaren zestig tot de ‘Duitse Herfst’ van 1977. Een RAF commando ontvoerde in dat jaar de voorzitter van de Duitse werkgeversorganisatie en voormalige SS officier Hanns-Martin Schleyer en in oktober kaapten leden van het Palestijnse PFLP een vliegtuig. In beide gevallen werd onder andere de vrijlating van RAF leden Jean Carl Raspe, Gudrun Ensslin en Andres Baader en Irmgard Möller geeist. Na landing in Mogadishu werd het vliegtuig bestormd door de Duitse commando’s waarbij 3 van de 4 gijzelnemers omkwamen. In de nacht hierop werden Baader en Ensslin dood aangetroffen in hun cel, Raspe overleed in het ziekenhuis en Irmgard Möller was zwaar gewond. De film eindigt 18 oktober, toen zijn ontvoerders Schleyer ombrachten.

De film is gebaseerd op een van de meest gedetailleerde studies van de vroege RAF en zit vol met historische details. De film is gevuld met anekdotes, letterlijke uitspraken van betrokken personen en citaten uit RAF manifesten. Helaas is dat niet meer dan aankleding voor een nogal zwak uitgewerkt verhaal, een poging om historisch correct over te komen in een film die grotendeels voorbijgaat aan de geschiedenis en context van de Duitse studentenbeweging en RAF.

De golf van opstand in 1968 en het geweld dat daarop volgde  word in Der Baader Meinhof Komplex afgedaan met een paar korte nieuwsclips – het bloedbad in Mexico City, de Mei opstand in Parijs, de moord op Martin Luther King, Vietnam – die hoogstens een ‘oh ja’ reactie oproepen maar niet duidelijk maken dat het milieu waaruit later de RAF voortkwam zich zag als de bondgenoot van de bevrijdingsbewegingen in de Derde Wereld. Het geweld tegen de protestbewegingen in Duitsland word in het begin van de film wel indringend weergegeven, bijvoorbeeld de aanval op demonstranten die tegen het bezoek van de Perzische sjah demonstreerden of de aanslag op Rudi Dutschke. Ook de scene waarin het Vietnam congres in Berlijn aan bod komt is mooi. Maar bijvoorbeeld het nazistische verleden en de angst voor een nieuw fascisme – één van de grote drijfveren van de RAF – wordt niet besproken. En zodra het schieten begint verdwijnt de politieke motivatie helemaal naar de achtergrond. Ulrike Meinhof komt er nog het beste vanaf in de film als een idealiste die er eigenlijk niet helemaal bij hoort en vooral gemotiveerd word door schuldgevoel over haar comfortabele leven en de drang om te bewijzen dat ze meer kan dan stukjes schrijven. In haar biografie van Mienhof heeft Jutta Ditfuhrt het terugkerende beeld van Meinhof als verblind en in de war geprobeerd recht te zetten.
Gudrun Ensslin is een stereotype koelbloedige moordenaar die als het over Baader gaat zich opeens gedraagt als een verliefde puber. Baader is vooral een seksistische en racistische klootzak met teveel testosteron. Nou was Baader volgens mensen die hem gekend hebben ook een eikel, iemand die vrouwen inderdaad regelmatig ‘Fotzen’ noemde maar in deze film is hij een karikatuur en ook de andere karakters blijven van bordkarton; het is een stelletje niet al te slimme lefgozers die met elkaar communiceren in het betonnen proza van de RAF manifesten. Wat wel goed zijn uitgewerkt, zijn de geweld scènes – qua acties hoeft de film niet onder te doen voor een ‘echte Hollywood film’.

Interessanter dan de film was de discussie na afloop met Karl-Heinz Dellwo, een voormalig RAF-lid. Er was van tevoren nogal wat te doen geweest over zijn aanwezigheid maar de avond zelf bleef alles rustig. Dellwo noemde het gebrek aan politieke context in de film ‘ergerlijk’. De politiek is in de film iets wat maar af en toe zichtbaar is in nieuwsberichten op de televisie. Slechts een ontwikkeling krijgt explicieter aandacht en dat is het kanselierschap van Willy Brandt en zijn politiek van meer ‘Demokratie wagen’. Volgens de film haalde dat de angel uit de protestbeweging en waren daarna de meeste demonstranten tevreden. Onzin, volgens Dellwo. In de film is de verachting van de Palestijnse guerrilla’s voor Baader duidelijk maar waarom, zo vroeg Dellwo, was het dan dezelfde Palestijnse groepering die zoveel moeite deed hem vrij te krijgen? Misschien was de werkelijkheid toch wat gecompliceerder.

Natuurlijk werd Dellwo gevraagd waarom hij juist voor de RAF koos. In zijn beleving waren er in de jaren zeventig drie opties open voor hem – je aansluiten bij degenen die aan de lange mars door de instituten wilden beginnen maar in plaats van de instituten te veranderen zelf door deze veranderden. Of je bij een van ‘K-gruppen’ aansluiten en een ‘echte’ communistische partij met aanhang onder de arbeidersklasse op bouwen, iets waar hij ook geen perspectief in zag. Of, zoals Dellwo zei, niet van andere mensen zoals guerrilla’s in de Derde Wereld of een toekomstige arbeidersklasse verwachten dat ze de revolutie uitvechten maar daar zelf hier en nu mee beginnen. Opvallend was hoe sterk morele, en niet zozeer politieke, beweegredenen voor Dellwo zijn geweest; zelf gewapende strijd beginnen was voor hem de beste manier om een scheidslijn te trekken tussen zichzelf en een onrechtvaardige, met oud-nazi’s doorschoten maatschappij.

Natuurlijk faalde aanpak van de RAF ook jammerlijk – en terecht ook volgens Dellwo. Zonder per definitie afstand te doen van geweld wees hij er op hoe het geweld van de RAF een eigen dynamiek had en steeds meer een doel op zich in een confrontatie met de staat. De RAF had volgens Dellwo veel te veel illusies in de bewegingen in Latijns-Amerika, Afrika, Azië en het Midden-Oosten waar ze zich mee verbonden voelde. Maar in plaats van een nieuw socialisme voort te brengen, zoals de RAF hoopte, creëerden deze bewegingen als ze aan de macht kwamen slechts vaak nieuwe natie-staten met veel van de oude onrechtvaardigheden nog intact. In de jaren zeventig voelden Dellwo en zijn kameraden zich deel van een wereldwijde beweging, een die niet langer bestaat. In dat opzicht was de huidige situatie slechter dan toen hij politiek actief werd, zo zei hij. Maar op de vraag of hij nog steeds in de revolutie geloofde antwoordde hij ‘ja natuurlijk; revoluties zijn er in de hele geschiedenis geweest, waarom zouden die dan opeens nooit meer voorkomen?’

Ik heb weinig sympathie voor de methodes en veel van de ideologie van de RAF maar Dellwo slaagde er wat mij betreft wel in uit te leggen waarom hij zelf geen andere keuze dan zich er bij aan te sluiten. De film zelf? Ach, wellicht leuker dan de nieuwe James Bond film maar niet veel meer dan dat.

De Revolutionär Sozialistischen Organisation over de film: Der Frage nach den Hintergründen der RAF Geschichte wird ausgelassen und das wohl nicht aus reiner Dummheit. Die Geschichte soll neu geschrieben und ein gewünschtes Bild in die Köpfe der Jugendlichen gepflanzt werden. “…in diesem Fall habe ich an meine Söhne gedacht, die heute 20 und 21 sind und als Amerikaner von Baader und Meinhof gar nichts wissen. Ihnen wollte ich diese Geschichte erzählen….“, so der Geschichtenerzähler und Regisseur Uli Edel. Dass seine „Geschichte“ durch die Instrumente der Faktenunterschlagung und einseitigen Betrachtungsweise  zu einem Lügenmärchen mutiert, stört ihn dabei offenbar nicht. Bei der RAF handle es sich um ein paar gewaltbereite Spinner, die sich “in eine wahnhafte Vorstellung verrannt haben: dass die Gesellschaft eine faschistische ist, dass die Bundesrepublik sich vom Dritten Reich nur marginal unterscheidet. Sie begeben sich in eine Situation, in der sich künstlich ein Ausnahmezustand schaffen lässt. Man fühlt sich durch die kriegsmäßige Situation legitimiert und kommt sich dabei ziemlich großartig vor…“, so Aust. Aust psychologisiert, wo er politisch sein müsste.

Zelden zal een presidentsverkiezing tot zo veel vreugde hebben geleid als die van Barack Obama. Het contrast met Bush – die een nieuw diepterecord heeft weten te vestigen in de peilingen – kon niet duidelijker zijn.

Links hoeft weinig te verwachten van Obama – hij is natuurlijk een stuk beter dan John ‘Bomb, bomb, Iran’ maar hij heeft bijvoorbeeld belooft het aantal troepen in Afghanistan te vergroten, een oorlog met Pakistan als mogelijkheid open te houden en de Palestijnen hoeven van hem ook niet al te veel verwachten. Voor links is het van groter belang dat het ontstuibare optimisme dat zijn campagne kenmerkte een snaar raakte bij het Amerikaanse publiek, ook bij mensen die voorheen niks met politiek hadden kunnen zich blijkbaar herkennen in de retoriek van de kandidaat die ‘yes, we can’ zijn campagne slogan maakte. De Amerikaanse socialistische organisatie Solidarity heeft goed het dubbelzijdige karakter van de verkiezing van Obama uitgelegd. De grote uitdaging voor links in de VS is niet in de hoek te gaan mokken en zodra Obama de fout in gaat – wat hij onvermijdelijk zal doen – met een opgeheven vingetje te roepen; ‘zie je wel! wij hadden gelijk!’ maar een aansluiting te vinden bij de grote aantallen mensen die gemotiveerd werden door de behoefte naar verandering na jaren van oorlog en neoliberale uitbuiting in de VS en daarbuiten.

Obama heeft zelf gezegd dat hij, als relatieve nieuwkomer op het politieke toneel, als projectiescherm voor de verwachtingen van allerlei mensen kan dienen. Dat geld natuurlijk voor zijn aanhangers die soms welhaast wonderen lijken te verwachten van zijn presidentschap maar het geldt zeker ook voor zijn tegenstanders.

Een ander voorbeeld van dat toch wel typisch Amerikaanse optimisme, van het geloof dat als je maar wilt alles kunt bereiken, zijn Obama’s opvattingen over rassenverhoudingen. Die kwestie speelde natuurlijk vanaf het begin een rol in Obama’s campagne maar was lange tijd een olifant in de kamer die zoveel mogelijk vermeden werd. Die olifant werd niet meer te vermijden toen Obama’s vijanden de aanval op hem openden vanwege uitlatingen die zijn predikant had gedaan. Vooral de opname van Rev. Jeremiah Wright die vanaf het kansel ‘God damn America’ verkondigde deed de rondte. Als je de opname van de hele preek bekijkt is het helemaal geen idiote uitbarsting maar deel van een mooi opgebouwd, beargumenteerd verhaal over de misdaden die in naam van Amerika zijn begaan en dat ‘god damn America’ vanuit dat oogpunt veel beter past dan het gebruikelijke ‘God bless America’.



Obama reageerde uiteindelijk met deze toespraak over ‘race’ in Amerika. Wat ik typisch vind voor het optimisme ervan is bijvoorbeelddeze passage aan het einde:

“For we have a choice in this country. We can accept a politics that breeds division, and conflict, and cynicism. We can tackle race only as spectacle – as we did in the OJ trial – or in the wake of tragedy, as we did in the aftermath of Katrina – or as fodder for the nightly news. We can play Reverend Wright’s sermons on every channel, every day and talk about them from now until the election, and make the only question in this campaign whether or not the American people think that I somehow believe or sympathize with his most offensive words. We can pounce on some gaffe by a Hillary supporter as evidence that she’s playing the race card, or we can speculate on whether white men will all flock to John McCain in the general election regardless of his policies.
We can do that.
But if we do, I can tell you that in the next election, we’ll be talking about some other distraction. And then another one. And then another one. And nothing will change
That is one option. Or, at this moment, in this election, we can come together and say, “Not this time.” This time we want to talk about the crumbling schools that are stealing the future of black children and white children and Asian children and Hispanic children and Native American children. This time we want to reject the cynicism that tells us that these kids can’t learn; that those kids who don’t look like us are somebody else’s problem. The children of America are not those kids, they are our kids, and we will not let them fall behind in a 21st century economy. Not this time.”

Als Obama één ding is, is het een begaafd spreker. Op papier valt ook veel te zeggen voor de benadering om het niet over verschillen tussen blank en zwart te hebben maar over kwesties die ons allemaal raken, zoals bijvoorbeeld economische tegenslag. Het deed me eerlijk een beetje denken aan de benadering van SP hier te lande.

Maar het gaat op twee punten spaak; ten eerste zijn zwarten in Amerika nog steeds buitenproportioneel arm. Als je armoede wilt bestrijden, kun je de kwestie van de scheve verhouding tussen blank & zwart niet vermijden. David Roediger, de Amerikaanse historicus die een aantal klassieke studies schreef over de constructie van raciale priviliges in Amerika en de impact van raciale verdeeldheid op de arbeidersklasse in de VS, schreef een mooi artikel waarin hij laat zien dat ‘ras’ helaas nog steeds een maar al te echte scheidslijn is.

Maar voordat je daar aankomt, is de eerste zwakheid van deze benadering al de illuse van ‘we have a choice in this country’. Want of ras besproken wordt of niet, is geen vrije keuze van Obama. Zijn tegenstanders maakten het een issue, of hij wilde of niet.

Hillary Clinton begon er eigenlijk al mee toen ze, naarmate het duidelijker werd dat ze zou verliezen van Obama, steeds wanhopiger erop ging wijzen dat zij, in tegenstelling tot haar rivaal blijkbaar, wel ‘normale, hardwerkende arbeiders’ vertegenwoordigde. Er werd op gehamerd dat Obama vooral jongeren en zwarten aansprak en niet ‘Amerikaanse arbeiders’, die blijkbaar allemaal van middelbare leeftijd en blank zijn.

Maar de beerput ging pas echt open toen Obama het rechtstreeks tegen McCain op moest nemen. McCain was natuurlijk slim genoeg om zich afzijdig te houden van de grofste uitwassen. Maar iedereen zal wel de filmpjes gezien hebben van de Republikeinse supporters die meest idiote, racistische dingen over Obama zeiden. Dat racisme is niet bepertk tot de VS, eenl id van de regerende partij in Polen bijvoorbeeld noemde de verkiezing van Obama ‘een ramp voor de blanke beschaving’.

Ook mensen die ‘aan de goede kant staan’ zeggen soms rare dingen over de verkiezing van Obama. Eén daarvan is dat met de verkiezing van Obama de droom van Martin Luther King is uitgekomen, waarmee dus impliciet gezeghd wordt dat de emancipatie van de zwarte bevolking in de VS is voltooid. Dat is een stelling waar rechts prima mee aan de haal kan gaan; sinds jaar en dag bestaat de reactie van rechts op anti-racisten eruit dat ze minderheden verwijten zich aan te stellen in plaats van gewoon voor zichzelf te zorgen. Daar kan nu de drogredenering ‘Obama kon toch ook president worden?’ – alsof Obama de sociale positie van de  zwarte minderheid belichaamt – aan toegevoegd worden.
Een ander voorbeeld van projectie is de, verder best sterke, toespraak die Ed van Thijn hield op de Kristalnacht herdenking in Amsterdam. Hij zei; ‘het is toch een hartverwarmende doorbraak wat zich deze dagen in Amerika heeft afgespeeld. Racisme en/of anti-racisme speelde, aldus alle peilingen, geen rol. Obama én de mensen die hem gekozen hebben stonden daar boven! Amerika heeft kleur bekend en de rest van de wereld volgt.’

Volgens mij klopt dit niet helemaal. Niet alleen omdat een deel van de aanhang van McCain, die slechts zo’n 6 procent minder stemmen kreeg dan Obama, zoals gezegd zeker niet vrij was van racisme en de campagne hier ook op inspeelde. Maar ook omdat anti-racisme wel degelijk – gelukkig!- een rol speelde bij veel mensen die voor Obama stemden. 96 procent van de zwarte stemmers stemde Obama – omdat Obama’s beleid veel beter zal uitpakken voor de grote meerderheid van zwarte bevolking in de VS vergeleken met dat van McCain maar ook omdat ze zich er van bewust waren dat een zwarte president een prachtige overwinning op racisme is. Trouwens, dat was een besef dat ook veel blanke Obama kiezers deelden. Eigenlijk is daarmee nog voordat Obama echt de president wordt al de grootste overwinning behaalt.

Sketch van Richard Pryor uit 1977 als president die een persconferentie geeft.

“Mister president, on your list of candidates for director of the FBI, are you including the name of Huey Newton?”
“Yes. I figured Huey Newton is best qualified, he knows the ins and outs of the FBI”